Sla de springlinks over en ga naar de sitenavigatie

U bent hier: Regelingen » Handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaakwerk Gemeente Stadskanaal » 27-07-2006

Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »

Handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaakwerk Gemeente Stadskanaal

Versie geldig vanaf 27-07-2006 tot 15-07-2010.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Stadskanaal
Officiële naam van de regeling Handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaakwerk Gemeente Stadskanaal
Citeertitel Handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaakwerk Gemeente Stadskanaal
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
15-07-2010
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze regeling is vervangen door de regeling Handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk gemeente Stadskanaal 2010.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

1. Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Stadskanaal

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
15-07-2010 intrekking 28-06-2010
De Kanaalstreek, 07-07-2010
BW 28-06-2010, 11
27-07-2006 nieuwe regeling 27-06-2006
De Kanaalstreek, 19-07-2006
BW 27-06-2006, 15

Inleiding

Bij kinderopvang en peuterspeelzaalwerk gaat het om jonge kinderen. Ouders moeten de zorg voor hen met een gerust hart kunnen uitbesteden. De gemeente Stadskanaal wil haar inwoners dan ook kunnen garanderen dat er sprake is van kwalitatief goede voorzieningen. Om deze garantie waar te kunnen maken is het van belang dat de drie pijlers van het kwaliteitsbeleid voor de kinderopvang en peuterspeelzaalwerk goed uitgewerkt zijn. Deze pijlers zijn:

Pijler 1
Het stellen van kwaliteitsregels;
Pijler 2
Toezicht op de naleving van de regels;
Pijler 3
Handhaving en sanctionering bij het niet naleven van de regels

Deze nota gaat over pijler 3. Gezien de samenhang die er tussen de pijlers is, lichten we hieronder alle drie de pijlers kort toe. Voor een schematische weergave van de samenhang tussen de pijlers verwijzen wij naar bijlage 1.

Pijler 1 Kwaliteitsregels

Het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang vallen allebei onder een ander kwaliteitsregime. De kwaliteitsregels voor de kinderopvang zijn vastgelegd in de wet Kinderopvang. De kwaliteitsregels voor het peuterspeelzaalwerk zijn vastgelegd in de Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk. Zowel de wet Kinderopvang als de Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk verplicht de houders om verantwoorde kinderopvang of peuterspeelzaalwerk aan te bieden. Verantwoord betekent dat het bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. De kwaliteitsregels richten zich op de domeinen ouders, personeel, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting, groepsgrootte en leidster-kindratio, pedagogisch beleid en praktijk en klachten.

Pijler 2 Toezicht

Zowel in de Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk als in de wet kinderopvang is vastgelegd dat de GGD, namens het college, toezicht houdt op de naleving van de kwaliteitsregels. De toezichthouder onderzoekt na melding door de houder of een peuterspeelzaal, kindercentrum of gastouderbureau voldoet aan de regels. Daarnaast onderzoekt de toezichthouder periodiek of aan de kwaliteitseisen wordt voldoen. Ook kan de toezichthouder incidenteel onderzoek uitvoeren. Bij de inspecties gebruikt de toezichthouder toetsingskaders. Op basis hiervan bepaalt de toezichthouder de mate waarin een peuterspeelzaal, kindercentrum of gastouderbureau voldoet aan de gestelde kwaliteitsregels. Hierbij kunnen ze voldoende, onvoldoende of slecht scoren.

In het kader van de wet Kinderopvang is het toezicht door de GGD de eerstelijnstoezicht. De Inspectie voor Werk en Inkomen (IWI) houdt weer toezicht op gemeenten. IWI ziet erop toe dat het systeem van eerstelijnstoezicht en handhaving kinderopvang door gemeenten goed werkt. Het toezicht van IWI is signalerend van aard. Het college moet jaarlijks een gemeentelijk jaarverslag opstellen over de werkzaamheden die in het kader van toezicht en handhaving wet Kinderopvang in het voorgaande jaar zijn verricht

Pijler 3 Handhaving

Als uit een inspectie blijkt dat een peuterspeelzaal, kindercentrum of gastouderbureau onvoldoende of slecht scoort en dus niet voldoet aan de regelgeving, dan zal het college ingrijpen. Het is belangrijk om vast te leggen hoe we met overtredingen van de kwaliteitsregels omgaan. Bij het formuleren van het handhavingsbeleid hebben wij aansluiting gezocht bij het gemeentelijke integrale handhavingsbeleid en deze nota kan dan ook gezien worden als een uitwerking hiervan.

1. Handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in de gemeente Stadskanaal

De wet Kinderopvang en de Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk (die geënt is op de wet Kinderopvang) bieden een aantal mogelijkheden om de handhaving van de kwaliteit goed te regelen (zie bijlage 2). In dit hoofdstuk beschrijven we de aanpak hiervan binnen de gemeente Stadskanaal.

1.1. Prioriteitsstelling handhaving

Transparantie bij de handhaving is van belang om consequent te kunnen optreden bij bepaalde overtredingen. Niet elke overtreding kunnen we sanctioneren, simpelweg omdat daarvoor niet voldoende capaciteit is. Het is dan ook nodig om prioriteiten te stellen. Het afwegingsmodel van de VNG heeft hiervoor de basis gevormd. Bij dit model wordt gekeken naar het negatieve effect dat zich kan voordoen bij een overtreding. De ernst van dit negatieve effect wordt bepaald door aan een aantal beoordelingsfactoren een score toe te kennen van 1 tot en met 4. Deze beoordelingsfactoren zijn:

  • Veilig omgeving: in welke mate draagt het niet voldoen aan de specifieke wettelijke eis uit het toetsingskader bij aan een onveilige omgeving?
  • Gezonde omgeving: in welke mate draagt het niet voldoen aan de specifieke wettelijke eis uit het toetsingskader bij aan een ongezonde omgeving?
  • Pedagogische kwaliteit: in welke mate draagt het niet voldoen aan de specifieke wettelijke eis uit het toetsingskader bij aan een vermindering van de pedagogische ontwikkeling van het kind?
  • Invloed ouders: in welke mate draagt het niet voldoen aan de specifieke wettelijke eis uit het toetsingskader bij aan een beperking van de transparantie, medezeggenschap en de mate waarin ouders inspraak en medezeggenschap kunnen hebben in het beleid?
  • Geloofwaardigheid: hoe groot is de politiek-bestuurlijke afbreuk als de specifieke wettelijke eis uit het toetsingskader onvoldoende wordt nageleefd?

De scores zijn als volgt opgebouwd:

  • 1: niet of nauwelijks invloed
  • 2: beperkte invloed
  • 3: aanzienlijke invloed
  • 4: ernstige en directe invloed

Het ingevulde model geeft op basis van het gemiddelde van de beoordelingsfactoren per soort kinderopvang een uitkomst van “hoog”, “gemiddeld” en “laag”. Dit wil zeggen dat als niet voldaan wordt aan de voorwaarden die bij de kwaliteitsregel horen, de ernst daarvan als hoog, gemiddeld of laag gedefinieerd wordt. Dit heeft weer gevolgen voor de inzet van een sanctie-instrument. Hoe hoger het belang, hoe zwaarder de sanctie.

Het model is per opvangsoort ingevuld, in overleg met de inspecteurs van de GGD en het team Bouw Milieu en Bijzondere Wetten (BMB) In tabel 1, 2, 3 en 4 zijn de uitkomsten van het ingevulde afwegingsmodel weergegeven.

Tabel 1 Prioriteitsstelling buitenschoolse opvang

Domein Kwaliteitsaspect Indicator Belang
1. Ouders Oudercommissie 1.1 Instellen oudercommissie Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie Gemiddeld
Informatie voor ouders 1.4 Inhoud van de informatie voor ouders Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor de ouders en de praktijk Laag
2. Personeel Verklaring omtrent het gedrag 2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag Hoog
Beroepskwalificatie 2.2 Passende beroepskwalificatie Gemiddeld
2.3 Voorwaarde en inzet van beroepskracht in opleiding Laag
Nederlandse taal 2.4 Gebruik van de voorgeschreven voertaal Laag
3. Veiligheid en gezondheid Veiligheid 3.1 Risico-inventarisatie veiligheid Hoog
3.2 Beleid veiligheid Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid Hoog
Gezondheid 3.4 Risico-inventarisatie gezondheid Hoog
3.5 Beleid gezondheid Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid Hoog
4. Accomodatie en inrichting Binnenruimte 4.1 Binnenspeelruimte Gemiddeld
Buitenruimte 4.2 Buitenspeelruimte Gemiddeld
4.3 Aangrenzende speelruimte Gemiddeld
4.4 Niet aangrenzende speelruimte Gemiddeld
5. Groepsgrootte en leidster-kindratio Groepsgrootte en leidster-kindratio 5.1 Opvang in groepen Gemiddeld
5.2 Leidster-kindratio Hoog
5.3 Inzet beroepskrachten in afwijking van de leidster-kindratio Gemiddeld
6. Pedagogisch beleid en praktijk Pedagogisch beleid 6.1 Pedagogisch beleidsplan Gemiddeld
6.2 Relatie pedagogisch beleidsplan met de praktijk Gemiddeld
Leidster-kindinteractie 6.3 Sociaal-emotionele veiligheid Gemiddeld
6.4 Persoonlijke competentie Gemiddeld
6.5 Sociale competentie Gemiddeld
6.6 Overdracht van normen en waarden Gemiddeld
7. Klachten Wet klachtenrecht cliënten zorgsector 7.1 Wet Klachtrecht Laag

Tabel 2 Prioriteitsstelling kinderdagopvang

Domein Kwaliteitsaspect Indicator Belang
1. Ouders Oudercommissie 1.1 Instellen oudercommissie Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie Gemiddeld
Informatie voor ouders 1.4 Inhoud van de informatie voor ouders Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor de ouders en de praktijk Laag
2. Personeel Verklaring omtrent het gedrag 2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag Hoog
Beroepskwalificatie 2.2 Passende beroepskwalificatie Hoog
2.3 Voorwaarde en inzet van beroepskracht in opleiding Laag
Nederlandse taal 2.4 Gebruik van de voorgeschreven voertaal Laag
3. Veiligheid en gezondheid Veiligheid 3.1 Risico-inventarisatie veiligheid Hoog
3.2 Beleid veiligheid Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid Hoog
Gezondheid 3.4 Risico-inventarisatie gezondheid Hoog
3.5 Beleid gezondheid Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid Hoog
4. Accomodatie en inrichting Binnenruimte 4.1 Binnenspeelruimte Gemiddeld
4.2 Slaapruimte Gemiddeld
Buitenruimte 4.2 Buitenspeelruimte Gemiddeld
5. Groepsgrootte en leidster-kindratio Groepsgrootte en leidster-kindratio 5.1 Opvang in groepen Gemiddeld
5.2 Leidster-kindratio Hoog
5.3 Inzet beroepskrachten in afwijking van de leidster-kindratio Gemiddeld
6. Pedagogisch beleid en praktijk Pedagogisch beleid 6.1 Pedagogisch beleidsplan Gemiddeld
6.2 Relatie pedagogisch beleidsplan met de praktijk Gemiddeld
Leidster-kindinteractie 6.3 Sociaal-emotionele veiligheid Gemiddeld
6.4 Persoonlijke competentie Gemiddeld
6.5 Sociale competentie Gemiddeld
6.6 Overdracht van normen en waarden Gemiddeld
7. Klachten Wet klachtenrecht cliënten zorgsector 7.1 Wet Klachtrecht Laag

Tabel 3 Prioriteitsstelling gastouderopvang

Domein Kwaliteitsaspect Indicator Belang
1. Ouders Oudercommissie 1.1 Instellen oudercommissie Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie Gemiddeld
Informatie voor ouders 1.4 Inhoud van de informatie voor ouders Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor de ouders en de praktijk Laag
2. Personeel Verklaring omtrent het gedrag 2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag Hoog
Beroepskwalificatie 2.2 Passende beroepskwalificatie medewerkers Hoog
3. Veiligheid en gezondheid Veiligheid 3.1 Risico-inventarisatie veiligheid Hoog
3.2 Beleid veiligheid Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid Hoog
Gezondheid 3.4 Risico-inventarisatie gezondheid Hoog
3.5 Beleid gezondheid Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid Hoog
4. Pedagogisch beleid en praktijk Pedagogisch beleid 4.1 Pedagogisch beleidsplan Gemiddeld
4.2 Relatie pedagogisch beleidsplan met de praktijk Gemiddeld
Kwaliteit 4.3 Criteria voor de kwaliteit Hoog
7. Klachten Wet klachtenrecht cliënten zorgsector 7.1 Wet Klachtrecht Laag

Tabel 4 Prioriteitsstelling peuterspeelzaalwerk

Domein Kwaliteitsaspect Indicator Belang
1. Ouders Oudercommissie 1.1 Instellen oudercommissie Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie Gemiddeld
Informatie voor ouders 1.4 Inhoud van de informatie voor ouders Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor de ouders en de praktijk Laag
2. Personeel Verklaring omtrent het gedrag 2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag Hoog
Beroepskwalificatie (afhankelijk van ambitieniveau) 2.2 Passende beroepskwalificatie Hoog
2.3 Voorwaarde en inzet van beroepskracht in opleiding Laag
Nederlandse taal 2.4 Gebruik van de voorgeschreven voertaal Laag
3. Veiligheid en gezondheid Veiligheid 3.1 Risico-inventarisatie veiligheid Hoog
3.2 Beleid veiligheid Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid Hoog
Gezondheid 3.4 Risico-inventarisatie gezondheid Hoog
3.5 Beleid gezondheid Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid Hoog
4. Accomodatie en inrichting Binnenruimte 4.1 Binnenspeelruimte Gemiddeld
Buitenruimte 4.2 Buitenspeelruimte Gemiddeld
5. Groepsgrootte en leidster-kindratio Groepsgrootte en leidster-kindratio 5.1 Opvang in groepen Gemiddeld
5.2 Leidster-kindratio Hoog
5.3 Inzet beroepskrachten in afwijking van de leidster-kindratio Gemiddeld
6. Pedagogisch beleid en praktijk Pedagogisch beleid 6.1 Pedagogisch beleidsplan Gemiddeld
6.2 Relatie pedagogisch beleidsplan met de praktijk Gemiddeld
Leidster-kindinteractie 6.3 Sociaal-emotionele veiligheid Gemiddeld
6.4 Persoonlijke competentie Gemiddeld
6.5 Sociale competentie Gemiddeld
6.6 Overdracht van normen en waarden Gemiddeld
7. Klachten Wet klachtenrecht cliënten zorgsector 7.1 Wet Klachtrecht Laag

Uit de tabellen blijkt dat we vooral het domein Veiligheid en Gezondheid hoge prioriteit gegeven hebben. Dit sluit aan bij het feit dat peuterspeelzalen, kindercentra en gastouderbureaus vooral op dit gebied in gebreke blijven [ 1 ].

1.2. Sanctieprotocol

De prioriteitsstelling gebruiken we om te bepalen welke sanctie-instrumenten ingezet gaan worden. Sanctionering gebeurt in twee fasen. Fase 1 is gericht op herstel. De ondernemer krijgt in fase 1 een aanwijzing of een waarschuwing. Hierin geven we aan dat niet voldaan wordt aan bepaalde kwaliteitsregels van de wet Kinderopvang of Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk en dat de ondernemer een bepaalde tijd heeft om de situatie te herstellen. Na de hersteltermijn gaat de inspecteur van de GGD kijken of nu wel voldaan wordt aan de kwaliteitsregels.

Als een houder de situatie niet herstelt, dan gaat fase 2 in. In deze fase kunnen we door middel van bijvoorbeeld een dwangsom of bestuursdwang afdwingen dat een ondernemer de kwaliteitsregels nakomt. Uitgangspunt is: hoe hoger de prioriteit (het belang), hoe zwaarder het sanctie-instrument. Om de sanctiestrategie te kunnen bepalen is een sanctieprotocol opgesteld (zie tabel 4).

Tabel 4 Sanctieprotocol

    Sanctie-instrument Hersteltermijn Herinspectie
Hoog belang en slechte score Fase 1 Bevel (bij direct gevaar) Maximaal 7 dagen Ja
Aanwijzing Maximaal 7 dagen tot 2 weken
Fase 2 Exploitatieverbod Maximaal 6 weken Ja
Verwijdering uit register
Bestuursdwang
Dwangsom
Hoog belang en onvoldoende score Fase 1 Aanwijzing Maximaal 6 weken Ja
Fase 2 Exploitatieverbod Maximaal 3 maanden Ja
Verwijdering uit register
Bestuursdwang
Dwangsom
Gemiddeld belang en slechte score Fase 1 Aanwijzing Maximaal 2 weken tot 6 maanden Ja
Fase 2 Dwangsom Maximaal 2 weken tot 6 maanden Ja
Bestuurlijke boete
Bestuursdwang
Gemiddeld belang en onvoldoende score Fase 1 Aanwijzing Maximaal 2 weken tot 6 maanden Ja
Fase 2 Dwangsom Maximaal 2 weken tot 6 maanden Ja
Bestuurlijke boete
Laag belang en slechte score Fase 1 Waarschuwing Maximaal 1 jaar Nee, meenemen bij reguliere inspectie
Fase 2 Dwangsom Maximaal 1 jaar Nee, meenemen bij reguliere inspectie
Bestuurlijke boete
Laag belang en onvoldoende score Fase 1 Waarschuwing Maximaal 1 jaar Nee, meenemen bij reguliere inspectie
Fase 2 Waarschuwing Maximaal 1 jaar Nee, meenemen bij reguliere inspectie

Wij stellen voor om bovenstaand sanctieprotocol te gebruiken bij het bepalen van de sanctiestrategie voor de peuterspeelzalen en kinderopvangorganisaties.

Het sanctieprotocol zien we vooral als een richtlijn, omdat het bij sanctionering toch vaak om maatwerk gaat. Hierbij maakt het niet uit wie een bepaalde overtreding maakt, maar bepaalt de overtreding zelf en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd de aanpak. Als we bijvoorbeeld meerdere lichte overtredingen constateren of een herhaling van overtredingen, dan kunnen we voor een zwaardere sanctiestrategie kiezen. Ook is het denkbaar dat meerdere overtredingen tegelijk plaatsvinden. In dat geval gaan we uit van de zwaarste overtreding.

2. Uitvoering handhavingsbeleid gemeente Stadskanaal

Bij de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk zijn verschillende afdelingen/organisaties betrokken. Het is dan ook zinvol om duidelijke afspraken te maken over wie welke verantwoordelijkheid heeft:

  • De dienst Beleid is verantwoordelijk voor het beleid rond de kwaliteit vande kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk en heeft daarmee de regie over hettotale kwaliteits- en handhavingsproces. Deze dienst is verantwoordelijk voor deverslaggeving naar het rijk.
  • Het team BMB van de dienst Publieksbureau is verantwoordelijk voor hetuitvoeren van de melding, registratie en handhavingstaak. Het team BMB verstrektafschriften van GGD-rapportages en eventueel hieruit volgende rapportages overhandhavingsacties aan de verantwoordelijke beleidsambtenaar.
  • De GGD is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de inspecties.

Ten slotte streven wij ernaar gecombineerde inspecties uit te laten voeren door de GGD en brandweer. Dit ontlast de kindercentra, temeer omdat eventuele tegenstrijdigheden van verschillende wetten meteen besproken kunnen worden.

voetnoot[ 1 ]

"Kwaliteit van Nederlandse Kinderdagverblijven: trends in kwaliteit in de jaren 1995-2005" Onderzoek Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek in opdracht van Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, augustus 2005.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [ 1 ] in de tekst

Bijlage 1

Bijlage 2 Handhaving volgens de wet kinderopvang en verordening kwaliteitsregels peuterspeelzaalwerk.

Het college kan op basis van de bevindingen van de toezichthouder ingrijpen. Hiertoe heeft het college op grond van de wet Kinderopvang een aantal instrumenten tot zijn beschikking. Hieronder worden deze sanctiemogelijkheden kort beschreven.

Aanwijzing

Als een kindercentrum of gastouderbureau zich niet aan de kwaliteitseisen houdt, dan kan het college een aanwijzing geven. Een aanwijzing is een beschikking de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). In aanwijzing staat welke overtredingen geconstateerd zijn, welke maatregelen binnen welke termijn getroffen moeten worden en de waarschuwing dat de aanwijzing kan worden afgedwongen met bestuursdwang, dwangsom of kan leiden tot een bestuurlijke boete.

Bevel

Als de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit zo tekortschiet dat de gezondheid of de veiligheid van de kinderen in direct gevaar is, dan kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. De toezichthouder is hiertoe bevoegd. De bevoegdheid voor het toepassen van de andere sanctie-instrumenten onder de Wet kinderopvang ligt bij het college. Een bevel is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Een bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. Het college kan de geldigheidsduur verlengen. Deze bevoegdheid kan niet worden uitgeoefend ten aanzien van een gastouderbureau.

Verbod exploitatie voort te zetten

Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum of gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of een aanwijzing niet opvolgt en het toepassen van bestuursdwang niet mogelijk is. Het geven van een verbod tot exploitatie is een beschikking in de zin van de Awb.

Verbod om in exploitatie te gaan

Het college kan de houder verbieden een kindercentrum, peuterspeelzaal of gastouderbureau in exploitatie te nemen, als blijkt dat het kindercentrum, peuterspeelzaal of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de voorschriften voldoet.

Verwijdering uit het register

Het college mag de gegevens van een kindercentrum, peuterspeelzaal of gastouderbureau uit het register verwijderen, als uit onderzoek blijkt dat de houder niet aan de kwaliteitseisen voldoet.

Verwijdering ligt echter niet meteen voor de hand. Eerst zal geprobeerd worden om afspraken te maken over het nemen van maatregelen om de tekortkomingen op te heffen. Het verwijderen uit het register is een uiterst middel: het heeft tot gevolg dat de ouders die gebruik maken van een kindercentrum, de aanspraak op tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang verliezen.

Bestuursdwang

Nadat de aanwijzing of het bevel niet uitgevoerd is, kan het college besluiten ter handhaving bestuursdwang aan te zeggen, waarbij bijvoorbeeld besloten wordt een onveilig speeltoestel op kosten van de houder weg te halen, als de ondernemer dat na aanwijzing niet zelf gedaan heeft. Niet alle overtredingen zijn geschikt om met bestuursdwang op te lossen. In de plaats van bestuursdwang kan dan een last onder dwangsom worden opgelegd.

Dwangsom

In plaats van bestuursdwang kan het college besluiten een last onder dwangsom op te leggen. Deze sanctie kan alleen worden opgelegd aan de overtreder zelf. Een last onder dwangsom wordt niet opgelegd als er acuut gevaar is. Dan is het beter om te kiezen voor bijvoorbeeld bestuursdwang. Een last onder dwangsom is een herstelsanctie: de overtreding moet ’hersteld’ worden. Gebeurt dit niet of niet tijdig, dan moet een geldsom worden betaald. Een voorbeeld waar de dwangsom een goed instrument kan zijn, is in het geval dat er consequent niet wordt voldaan aan de leidsterkindratio. Dit gebeurt vaak vanuit kostenoverwegingen van de ondernemer. Door een dwangsom op te leggen, vervalt het economisch voordeel.

Bestuurlijke boete houder

Een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als een houder een verplichting, een aanwijzing of een bevel niet nakomt.

Strafrechtelijke mogelijkheden

Strafrechtelijke vervolging is geen specifieke mogelijkheid voor het college en de toezichthouder zelf. Als het gaat om een opzettelijke of roekeloze overtreding die een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de bestuurlijke boete. Als de gedraging strafbaar is, wordt het aan het OM voorgelegd.

Sla de sitenavigatie over en ga naar de hoofdinhoud »
Terug naar boven Terug naar boven