Sla de springlinks over en ga naar de sitenavigatie

U bent hier: Regelingen » Verordening onroerende zaakbelastingen Stadskanaal 2018 » 01-01-2018

Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »

Verordening onroerende-zaakbelastingen Stadskanaal 2018

Deze regeling is in werking getreden op 01-01-2018.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Stadskanaal
Officiële naam van de regeling Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018
Citeertitel Verordening onroerende-zaakbelastingen Stadskanaal 2018
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
Vastgesteld door gemeenteraad
Onderwerp financiƫn en economie

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening onroerende-zaakbelastingen Stadskanaal 2017.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

1. Gemeentewet, art. 220 externe site

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-01-2018 nieuwe regeling 18-12-2017
Gemeenteblad, nr. 227229, 21-12-2017 externe site
Z-17-036608/D/17/098330

De raad van de gemeente Stadskanaal;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 december 2017, nr. Z-17-036608/D/17/098330;

gelet op de artikelen 220 externe site tot en met 220h van de Gemeentewet externe site;

besluit:

vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018.

Artikel 1 Belastingplicht

  • 1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" (ozb) worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
    • a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: "gebruikersbelasting";
    • b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: "eigenarenbelasting".
  • 2. Bij de gebruikersbelasting wordt:
    • a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;
      degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
    • b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld;
      degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
  • 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Belastingobject

Artikel 3 Maatstaf van heffing

Artikel 4 Vrijstellingen

  • 1. In afwijking in zoverre van artikel 3, wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
    • a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
    • b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a. bedoelde grond;
    • c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
    • d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 externe site aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet externe site bedoelde voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
    • e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
    • f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
    • g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
    • h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
    • i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
    • j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
    • k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - die zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen.
  • 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j. van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
  • 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 Belastingtarieven

  • 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
    • a. de gebruikersbelasting 0,3013;
    • b. bij de eigenarenbelasting:
      • 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1798;
      • 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3600.
  • 2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro's.
  • 3. Voor belastingbedragen tot € 5,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin, wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen ozb of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 6 Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 externe site moeten de aanslagen worden betaald in drie gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, ten hoogste € 1.000,00 is, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de ozb.

Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. De "Verordening onroerende-zaakbelastingen Stadskanaal 2017" van 19 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan.
  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
  • 3. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
  • 4. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening onroerende-zaakbelastingen Stadskanaal 2018".

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 december 2017.

De raad

de heer K. Willems mevrouw B.A.H. Galama

raadsgriffier voorzitter

Sla de sitenavigatie over en ga naar de hoofdinhoud »
Terug naar boven Terug naar boven