Sla de springlinks over en ga naar de sitenavigatie

U bent hier: Zoek in tekst » Scheepswerfstraat » Welstandsnota Stadskanaal 2007 » 28-06-2007

Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »

Welstandsnota Stadskanaal 2007

Versie geldig vanaf 28-06-2007 tot 10-10-2015.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Stadskanaal
Officiële naam van de regeling Welstandsnota Stadskanaal 2007
Citeertitel Welstandsnota Stadskanaal 2007
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
10-10-2015
Vastgesteld door gemeenteraad
Onderwerp volkshuisvesting en woningbouw

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze regeling vervangt de op 28 juni 2004 vastgestelde Welstandsnota.

Deze regeling is vervangen door de Welstandsnota Stadskanaal 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

1. Woningwet, art. 12 externe site

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
10-10-2015 intrekking 07-09-2015
Gemeenteblad, nr. 91108, 02-10-2015 externe site
R 7086
28-06-2007 nieuwe regeling 11-06-2007
De Kanaalstreek, 20-06-2007
R 6513

1. Inleiding

1.1 Doel en uitgangspunten

Het welstandsbeleid van de gemeente Stadskanaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. Daarbij maken gebouwen en andere bouwwerken samen een belangrijk deel uit van de dagelijkse leefomgeving van de bewoners van Stadskanaal. Dit betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van een eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet.
Het welstandstoezicht beweegt zich aldus op het grensvlak van private en collectieve belangen. Bij het opstellen van welstandsbeleid moet er een afweging worden gemaakt tussen individuele vrijheid en algemeen belang. De individuele vrijheid gaat daar tot waar een ander er last van heeft of tot waar het algemene belang er onder lijdt.
Een goed verzorgde, op het betreffende gebied afgestemde, omgeving kan de waarde van de onroerende zaken verhogen en versterkt zodoende het vestigingsklimaat.

Doel van het welstandsbeleid is het streven naar behoud van en het versterken van de beeldkwaliteit in het algemeen en die van beschermde dorpsgezichten in het bijzonder. Daarnaast dient het karakter van het landelijke gebied en het beeld van het Groningse landschap te worden gerespecteerd.
Voor de historische kernen gaat het daarbij om het beschermen van de belangrijke karakteristieken en de zorg dat nieuwe ontwikkelingen daarop verantwoord aansluiten en daarop voortbouwen. Historisch besef en conservering van bestaande kwaliteiten hoeven vernieuwing niet in de weg te staan. Voor een levensvatbare toekomst van de gebouwde omgeving is het noodzakelijk dat creatieve ideeën ten aanzien van stedenbouw en architectuur binnen de conserverende houding worden toegelaten. Hierbij dient steeds de zorgvuldig bedachte relatie met het bestaande voor op te staan. Het beleid moet duidelijkheid voor de burgers voor de toekomst verschaffen, waarbij veel aandacht voor de communicatie over het nieuwe welstandsbeleid van belang is.

De welstandsnota moet voor verschillende doelgroepen hanteerbaar zijn, te weten burgers, architecten, bestuurders, ambtenaren en leden van de welstandcommissie.
De welstandsnota is vooral een sturend en stimulerend hulpmiddel en niet een instrument om van alles te verbieden. Ontsieringen moeten worden tegengegaan en er mogen geen gebouwen ontstaan die afbreuk doen aan het karakter van de gebouwen of de bestaande omgeving. De welstandscriteria zijn afgeleid van de bestaande omgeving en de toekomstvisie en zijn duidelijk geformuleerd. Doel is dat een ieder de waardevolle karakteristieken van zijn eigen buurt kan herkennen. Bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen of aanpassingen van bestaande bouwwerken moet daarmee rekening worden gehouden.
Door het opstellen van welstandsbeleid kan de gemeente een stimulerend, duidelijk en goed te handhaven welstandstoezicht inrichten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroegtijdig stadium informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling van belang zijn.

1.2 Uitgangspunten welstandsbeleid

  • 1- Instrument voor ruimtelijke kwaliteit
  • 2- Goede balans tussen zekerheid en flexibiliteit
  • 3- Openbaarheid en inzichtelijkheid
  • 4- Vermaatschappelijking

1.2.1 Instrument voor ruimtelijke kwaliteit

In het ruimtelijke kwaliteitsbeleid staat de leefbaarheid van Stadskanaal centraal.
Dat betekent onder meer dat er bij alle ingrepen in de gebouwde omgeving een balans moet zijn tussen individuele wensen en het algemene belang. Dit betekent behoud van aanwezige kwaliteiten op het gebied van cultuurhistorie en het scheppen van mogelijkheden voor toekomstige nieuwe kwaliteiten. Voor het toekomstige welstandstoezicht betekent dit dat bouwwerken, meer dan voorheen, worden beoordeeld op de betekenis die ze hebben voor de omgeving. Redelijke eisen van welstand zijn niet meer alleen objectgericht maar kunnen, op basis van gebiedsgerichte welstandscriteria, per gebied verschillen. Bij het opstellen van de gebiedsgerichte welstandscriteria is de kennis over het gebied van belang en kan de ontstaansgeschiedenis ervan worden gebruikt.

1.2.2 Goede balans tussen zekerheid en flexibiliteit

Welstandscriteria moeten volgens de Woningwet ‘zo concreet mogelijk’ zijn. Dat betekent niet dat in alle gevallen volledige objectiviteit mogelijk is, maar wel dat altijd zekerheid kan worden geboden over de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling.
De welstandscriteria zijn per gebied gebaseerd op de kwaliteiten van de bestaande gebouwde omgeving, zodat gebouwen die daaraan moeten voldoen ‘wel staan’ in hun straat of op hun plek.Sommige gebieden verdragen meer vrijheid dan andere, hetgeen tot uiting komt in de formulering van de welstandscriteria. Daarnaast zullen er altijd gebouwen zijndie niet direct doen wat de plek verlangt, maar desondanks een aanwinst kunnen zijn voor het gebied. Die flexibiliteit moet mogelijk zijn waarbij de stelregel geldt dat hoe groter de afwijking ten opzichte van de bestaande omgeving is, hoe hoger de kwaliteitseisen zijn die aan het bouwwerk zelf worden gesteld.

1.2.3 Openbaarheid en inzichtelijkheid

Het welstandstoezicht moet objectiever en transparanter voor de burgers worden door duidelijkere welstandscriteria en door een open werkwijze. Het welstandsbeleid moet de burger, wat de welstandsbeoordeling betreft, duidelijkheid verschaffen van vergunningaanvraag tot welstandsadvies en vergunningverlening. Daarbij moeten zaken als gemandateerd advies, vooroverleg en openbaarheid van de vergaderingen goed worden geregeld. Het bevorderen van de openbaarheid van de welstandsvergaderingen mag echter niet leiden tot kwaliteitsverlies doordat andere aspecten dan alleen de welstandscriteria een rol gaan spelen bij de beoordeling.

1.2.4 Vermaatschappelijking

Het welstandsbeleid moet een onderwerp van publieke discussie zijn en blijven. Welstandsbeleid moet wortelen in de samenleving en bijdragen aan het democratiseren van welstand en architectuur. Welstandscriteria moeten stimulerend zijn en de welstandscommissie moet een bijdrage leveren aan de discussie over stedenbouw en architectuur in Stadskanaal. Het kwaliteitsdenken van mensen met bouwplannen moet al in een heel vroeg stadium worden gestimuleerd.

1.3 De welstandscommissie

Omdat de welstandsbeoordeling een complex gebeuren is, dienen burgemeester en wethouders volgens de Woningwet bij de meeste bouwplannen, en zeker voor die bouwplannen waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist, een deskundig en onafhankelijk advies te vragen aan de welstandscommissie. De welstandscommissie kijkt of er harmonie in het bouwwerk zelf aanwezig is en of dit past in zijn omgeving. De welstandscommissie werkt in volle openbaarheid. De werkwijze, de samenstelling en taakomschrijving van de welstandscommissie is opgenomen in het ‘Reglement van orde op de welstandscommissie’. Dit reglement zal door de gemeenteraad worden vastgesteld en is als bijlage 5 in deze welstandsnota opgenomen. Tevens is hierbij het schema welstandstoetsing opgenomen, zodat de burger te voren kan weten op welke wijze zijn bouwplan door de welstandscommissie wordt getoetst.
Het advies van de welstandscommissie is uiteindelijk een van de aspecten die een rol spelen bij de beslissing van burgemeester en wethouders om de bouwvergunning al dan niet te verlenen. Met het vaststellen van deze welstandsnota is het welstandsadvies voortaan gebonden aan democratisch vastgestelde welstandscriteria. De gemeenteraad stelt met de welstandsnota vast waar de welstandscommissie bij de beoordeling van bouwplannen op moet letten.

1.4 De welstandsnota

De welstandsnota van Stadskanaal is als volgt opgebouwd. Na een hoofdstuk over het ruimtelijke kwaliteitsbeleid van Stadskanaal, dat als basis voor het welstandsbeleid geldt, worden de welstandsgebieden en welstands(loket)criteria beschreven. Voor een goede leesbaarheid is daarbij gekozen voor een volgorde van abstract naar concreet: van algemene welstandscriteria, via relatieve welstandscriteria voor objecten, naar absolute welstandscriteria voor de sneltoets van veel voorkomende kleine(re) bouwwerken.
Ook wordt aandacht geschonken aan welstandscriteria bij (her)ontwikkelingsprojecten en criteria die kunnen worden gebruikt bij het repressieve welstandstoezicht op alle bouwwerken en de handhaving daarvan, de zogenaamde excessenregeling.

Als bijlagen bij deze welstandsnota zijn opgenomen een begrippenlijst, een overzicht van monumenten en beeldbepalende panden, een overzicht van de bestemmingsplannen, een straatnamenlijst met bijbehorende welstandsgebieden en het reglement van orde op de welstandscommissie (inclusief schema welstandstoetsing).
Daarnaast zijn er kaarten opgenomen van de gebruiksfuncties, de welstandsgebieden, de welstandsniveau’s en een overzichtskaart van de monumenten.

1.5 Welstandsnota in de praktijk

Iemand die wil weten welke welstandscriteria voor zijn bouwplan gelden, kan in de welstandsnota nagaan of het bouwplan valt onder de veel voorkomende ‘kleine(re) bouwplannen’. Hieronder worden verstaan:

  • - aan- en uitbouwen
  • - bijgebouwen en overkappingen
  • - dakkapellen
  • - kozijn- en gevelwijzigingen
  • - erf- / perceelafscheidingen

Als een dergelijk klein bouwwerk niet vergunningvrij is moet, in de meeste gevallen, een ‘lichte bouwvergunning’ worden aangevraagd. Dit plan wordt dan door de gemeente getoetst aan alle wettelijke vereisten zoals het Bestemmingsplan, het Bouwbesluit en aan redelijke eisen van welstand. Voor deze welstandstoets zijn “sneltoetscriteria” of “loketcriteria” opgesteld waarmee zowel de indiener van het plan als de medewerkers van de gemeente, kunnen nagaan op welke wijze het bouwplan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand voldoet. Wordt het bouwplan op deze manier ingediend, dan kan een beoordeling door de welstandscommissie achterwege blijven. Voor bouwplannen die niet met de sneltoetscriteria kunnen worden beoordeeld is bij het opstellen van welstandscriteria een gebiedsgerichte aanpak gevolgd. De welstandsnota geeft een beschrijving van de samenhang in en het karakter van een bepaald gebied. Daaruit ontstaat een reeks aandachtspunten of beoordelingscriteria, waar men op moet letten als men wil bouwen of verbouwen in een bepaald gebied, de zogenaamde gebiedsgerichte welstandscriteria. Met deze gebiedsgerichte welstandscriteria wordt ook aangegeven in welke gebieden bijzondere kwaliteiten aanwezig zijn en in welke gebieden extra inspanningen worden verwacht. In Stadskanaal zijn ook bouwwerken die door hun functie, verschijningsvorm of regionale cultuurhistorische betekenis, zo specifiek zijn dat daarvoor een eigen, objectgericht beoordelingskader in de welstandsnota is opgenomen. Dit is het geval voor de boerderij, de opslagschuur, het “krimpenhuis”, de villa, luifels, rolluiken en reclames.

Het kan soms voorkomen dat de gebiedsgerichte - c.q. objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn. Dit kan het geval zijn als een bouwplan wel voldoet aan de gebiedsgerichte - c.q. objectgerichte criteria maar niet aan redelijke eisen van welstand. Daarom zijn in de welstandsnota ook algemene criteria opgenomen waarmee een bouwplan geheel op zichzelf kan worden beoordeeld. Deze algemene welstandscriteria kunnen niet te pas en te onpas worden gebruikt, maar zijn bedoeld voor onverwachte, experimentele of opvallende gebouwen. Burgemeester en wethouders kunnen, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de welstandscommissie, van deze welstandscriteria afwijken. In de praktijk betekent dit dat het plan dan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld.

1.6 Tenslotte

Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan in Stadskanaal niet meer worden gezegd dat welstandsadvisering onbegrijpelijk, willekeurig of niet transparant is. De welstandscriteria zijn langs democratische weg vastgesteld en voor iedereen toegankelijk. De agenda van de welstandscommissie is van tevoren te raadplegen en de commissie werkt bovendien in volle openbaarheid. Planindieners en ontwerpers kunnen altijd een afspraak met de welstandscommissie maken om een toelichting op hun bouwplan te geven, kunnen de beoordeling bijwonen en een uitleg krijgen over het advies. Zowel de welstandscommissie als burgemeester en wethouders rapporteren jaarlijks aan de gemeenteraad hoe zij met de uitvoering van het welstandsbeleid zijn omgegaan. Het gemeentebestuur van Stadskanaal gaat er vanuit dat het nieuwe welstandstoezicht breed zal worden gedragen en hoopt dat met deze welstandsnota een waardevolle bijdrage kan worden geleverd aan de kwaliteit van de bebouwde omgeving in de gemeente Stadskanaal.

2 Ruimtelijk kwaliteitsbeleid

2.1 Ruimtelijk beleid

Structuurvisie

De hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van stadskanaal zijn vastgelegd in het Structuurplan 1998. In dit plan genaamd “de gemeente van straks: Stadskanaal in 2010”, komen enkele voor het welstandsbeleid relevante uitgangspunten voor, te weten:

  • behoud en versterking van het huidige woonmilieu van Stadskanaal;
  • versterking van het centrum van Stadskanaal en Musselkanaal;
  • behoud van waardevolle architectonische elementen;
  • behoud van de groenstructuur in de woonwijken die een wezenlijke bijdrage aan het straatbeeld moet leveren;
  • ontwikkeling van nieuw beleid en planning van groen;
  • handhaving van de (nog) kenmerkende en unieke mate van openheid in het Veenkoloniale gebied;
  • behoud van en bescherming van de cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke waarden, waarbij nieuwe woongebieden dienen te worden ingepast en gehecht aan de gegeven landschappelijke structuur;
  • vergroting van de belevingswaarde van de natuurgebieden

2.2 Bestemmingsplannen

Voor het totale grondgebied van de gemeente Stadskanaal vigeert een zestigtal bestemmingsplannen. Voor het binnen de bebouwde kom gelegen gedeelte zijn dit er tweeënvijftig en voor het buitengebied vier stuks. De meeste plannen kennen geen welstandsbepalingen en zijn vaak summier van toelichting. In de meest recente bestemmingsplannen, zoals Waterland, wordt een gebiedsbeschrijving gegeven en is er expliciete aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente heeft het voornemen om alle bestemmingsplannen te actualiseren en het aantal te verkleinen. Hiervoor is een meerjarenprogramma vastgesteld. Voor de bestemmingsplannen die betrekking hebben op het grondgebied van de gemeente Stadskanaal wordt verwezen naar het overzicht van de bestemmingsplannen in bijlage 3.

2.3 Stedenbouw

Het stedenbouwkundige beleid is bepalend en voorwaardenscheppend voor het welstandstoezicht. Wanneer in uitbreidings- of herstructureringsgebieden wordt gewerkt met stedenbouwkundige supervisie, betreft dit met name het in goede banen leiden van bouwplannen binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan. Wanneer de plannen niet lijken te passen vindt er overleg plaats met de welstandscommissie. Als voorloper op de herziening van de bestemmingsplannen wordt gewerkt met ruimtelijke visies.

2.4 Openbare ruimte en landschap

De kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving in de gemeente Stadskanaal wordt voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van groen. De gemeente voert ten aanzien van de openbare ruimte een beleid gericht op een kwalitatief hoogwaardige inrichting, zowel voor wat betreft groenstructuur, bebouwing en infrastructuur.
Het beleid ten aanzien van de kwaliteit van het buitengebied is geformuleerd in de bestemmingsplannen Buitengebied. Deze plannen streven naar behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden. Deze waarden vormen een kernkwaliteit van bijzondere allure. Stadskanaal moet deze kernkwaliteit in overleg met omliggende gemeenten beschermen en, waar mogelijk, benutten voor verbetering van de bebouwing en de woonomgeving van de kernen. Streven is om de ecologische waarden van het buitengebied zoveel mogelijk veilig te stellen. Het buitengebied moet echter ook op passende wijze voor fietsen en wandelen worden ontsloten. Inbreiding van woningbouw is, in beginsel, wel mogelijk. Dit dient dan wel op een zodanige manier plaats te vinden dat de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de verschillende kernen van Stadskanaal verder worden versterkt dan wel worden gehandhaafd.

De gebieden ten oosten van Onstwedde maken deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Samen vormen ze vanuit de gemeente Vlagtwedde een verbinding met natuurgebieden in de gemeente Bellingwedde. Naast natuurontwikkeling is het de bedoeling om in het EHS-gebied beheersovereenkomsten met landbouwers te sluiten en (gesubsidieerde) natuurontwikkeling op de akkerbouwpercelen te realiseren. Uitgangspunt van de EHS is het creëren van verbindingszones met de Hondsrug, de Blauwe Stad en Duitsland. Vanuit deze visie wordt aansluiting gezocht bij de natuurgebieden Veenhuizerstukken, de Tichelberg en bosgebieden. Het gebied Smeerling-Metbroek is en blijft daarbij het visitekaartje van het landelijke gebied.

2.5 Monumentenbeleid

Stadskanaal kent Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Daarnaast is Smeerling aangemerkt als beschermd dorpsgezicht.

De gemeente Stadskanaal is van plan om het Kerkgebied van Onstwedde ook tot beschermd dorpsgezicht te bestempelen. Daarnaast is de gemeente voornemens een expliciet monumentenbeleid op te stellen. Doel is om een hogere ruimtelijke kwaliteit te bereiken door:

  • zoveel mogelijk cultuurhistorische waarden in beeld brengen, te documenteren en, indien mogelijk, te beschermen en in goede staat te houden;
  • het voeren van een integraal beleid, waarbij aandacht is voor cultuurhistorische waarden bij beheer en inrichting van de openbare ruimte en bij ruimtelijke planvorming (structuurvisie, bestemmingsplan, beeldkwaliteitsplan);
  • het zowel in - als extern uitdragen van het beleid met betrekking tot cultuurhistorische waarden door bewustwording en voorlichting.

Hierbij kunnen de volgende instrumenten worden ingezet:

  • het aanwijzen van gemeentelijke monumenten;
  • archeologisch en bouwhistorisch onderzoek voorafgaande aan bouwactiviteiten, hetgeen op termijn wettelijk wordt verplicht.
  • advisering door de Monumentencommissie;
  • voorlichting waaronder de Open Monumentendag.

Voor een overzicht van de Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 met bijbehorende monumentenkaart.

2.6 Huidige welstandszorg

Het huidige welstandstoezicht in de gemeente Stadskanaal is geregeld via de welstandsnota. Deze is door de gemeenteraad in juni 2004 vastgesteld en op grond van de in 2006 gehouden evaluatie gewijzigd. De evaluatie is opgenomen in het jaarverslag 2005.

Ruimtelijke kwaliteit heeft een directe relatie met de mate van welbehagen die iemand op een bepaalde plek of in een gebied ervaart. Dit heeft te maken met de objectivering van de factoren die hiervoor zijn benoemd alsmede subjectieve factoren.
Meer inhoudelijke welstandscriteria zijn uitgewerkt ten aanzien van de meest voorkomende kleine ingrepen zoals aan - en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, dakkapellen, kozijn - en gevelwijzigingen en erf - en perceelafscheidingen. De richtlijnen dienen als toetsingskader ten behoeve van nieuwe bouwplannen en verbouw van bestaande woningen. Bij de beoordeling van alle bouwplannen worden de sleutelbegrippen harmonie, herkenbaarheid en maat en schaal genoemd:

  • harmonie: is het gebouw in overeenstemming met het doel waarvoor het wordt gebouwd, past het in de omgeving, zijn de samenstellende bouwonderdelen goed op elkaar afgestemd, is er sprake van een zeker evenwicht in de verhoudingen van de bouwmassa’s en gevelindelingen;
  • herkenbaarheid: is van het gebouw “af te lezen” wat de functie is;
  • maat en schaal: past het gebouw in zijn omgeving voor wat betreft bouwmassa en gevelindelingen.

De gemeente Stadskanaal werkt voor de welstandsbeoordeling van haar bouwplannen in provinciaal verband samen met andere Groningse gemeenten en ressorteert onder het werkgebied van de Stichting Libau, welstands- en monumentenzorg Groningen.

3 Welstandsgebieden - objecten en - criteria

3.1 Welstandsgebieden

Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid.
De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de gemeente Stadskanaal. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van de gemeente, de ruimtelijke mogelijkheden alsmede de architectuur zoals die in de bestaande situaties wordt aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ´zich moet gedragen´ om in zijn omgeving niet te veel uit de toon te vallen en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. Naast de karakteristieken is de landschappelijke en ruimtelijke structuur van de gemeente Stadskanaal van belang.

De gemeente is hiertoe in een aantal welstandsgebieden verdeeld te weten:
De kanaalzone met lintbebouwing, Stadskanaal / Musselkanaal / Ceresdorp, bedrijventerreinen Stadskanaal / Musselkanaal, Alteveer / Onstwedde / Mussel en het Buitengebied. Daarnaast is aangegeven welk welstandsniveau in welk welstandsgebied geldt. Tot slot is aangegeven welke functie(s), zoals woon -, werk -, recreatie - en agrarische functie, in welk welstandsgebied voorkomen.
Om een en ander inzichtelijk te maken is een drietal overzichtskaarten van de gemeente stadskanaal in de welstandsnota bijgevoegd, te weten een kaart met:

  • - welstandsgebieden
  • - welstandsniveau’s
  • - gebiedsfuncties.

3.1.1 Landschappelijke structuur

Het veenkoloniale landschap is destijds ontstaan als een landschap waar alles ten dienste staat van de landbouwproductie. Nu de landbouw onder druk staat is de uitdaging om een nieuw evenwicht te vinden tussen landbouw en andere functies zoals wonen, ontwikkeling, recreatie en bedrijvigheid. De meest in het oog springende kwaliteit van dit landschap is de openheid. Ten behoeve van de schaalvergroting van landbouwbedrijven dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn, mede om te voorkomen dat deze bedrijven tegen de beperkingen van de milieuwetgeving aan lopen. Door deze aanpak zal de grootschaligheid van het landschap als belangrijke ruimtelijke kwaliteit in stand kunnen worden gehouden.

Nieuwe ontwikkelingen zullen alleen aan de flanken van de centrale open ruimte plaats kunnen vinden. Dit zal leiden tot een gedeeltelijke ontkoppeling van landbouw met woonfuncties. Bedrijfsonderdelen die milieuhinder (kunnen) veroorzaken, zoals stallen en mestsilo’s, zullen alleen van het lint af uitgebouwd mogen worden. Nader dient te worden onderzocht in hoeverre het monden – en wijkensysteem moet worden uitgebreid om het transport van water uit de multifunctionele landschapszone in de beekdalen goed te laten verlopen.

Ten oosten van de kern Onstwedde bevindt zich de ecologische hoofdstructuur (EHS).
Dit waardevolle natuurlandschap is een belangrijke buffer tussen enerzijds de woonkernen en anderzijds de veenkoloniale gebieden en is zachter en vriendelijker van aard.
Het structuurplan van de gemeente Stadskanaal gaat uit van een versterking van de EHS.
In de gebiedsbeschrijving ‘Buitengebied’ onder 3.1.5.5 wordt nader ingegaan op de landschappelijke structuur.

3.1.2 Ruimtelijke structuur

Het lineaire patroon van het kanaallint is alles overheersend in het beeld van Stadskanaal.
Bebouwing en ruimte worden er door bepaald. De ruimtelijke opbouw in dwarsrichting is in principe continue en bestaat uit de elementen bebouwing – weg – kanaal – weg – bebouwing. Er is sprake van een overheersende verkeersroute die noordoostelijk van het kanaal is gelegen. De weg aan het Noordzeestrand heeft per kanaaldeel alleen de functie van ontsluiting van de bebouwing.

Tussen het water en de weg bevindt zich meestal een berm, voorzien meer of minder ruimtebepalende boombeplanting. Varianten binnen dit thema vormen de wisselende afstanden tussen weg en bebouwing, het al of niet voorkomen van fiets - en voetpaden en elementen die de indeling van het wegprofiel markeren, zoals sterk lineaire beplanting, straatverlichting en ornamenten. Zij hebben niet alleen een ruimtelijke werking in dwarsrichting maar vormen ook een accentuering van de lengtewerking van het lint.
In plaats van een berm is soms sprake van kadewanden.
Vroeger was het algemene gebruik om tussen de weg en de voortuin een heg, een tuinmuurtje of een andere afscheiding te maken. Het verdwijnen daarvan heeft, samen met wegverbredingen het overgangsgebied tussen openbaar en privé aanzienlijk verarmt.

De continuïteit in het beeld van het lint wordt vooral onderbroken door grote afwijkingen van structurele aard, zoals sluizen, bruggen en wegaansluitingen.
Vanuit het noorden komend, valt de open plek bij de begraafplaats Uniken op. Een stuk verderop is er ook een opvallende plek bij de Gasselterbrug.
In het zuiden wordt het kanaalbeeld over een grote lengte bepaald door de watertoren.
Samen met huize “Ter Marse” en de dubbele knik in de kanaalloop, is hier sprake van de meest opvallende afwijking van het algemene kanaalbeeld. Voorbij de dubbele knik gaat Stadskanaal over in Musselkanaal.

Ieder welstandsgebied heeft zijn eigen bebouwingskarakteristiek. Zo komen in de kanaalzone met lintbebouwing (welstandsgebied 1) monumentale bouwwerken, sluizen, bruggen, een watertoren, kleinschalige historische bebouwing, bedrijven en winkels voor. In Stadskanaal / Musselkanaal / Ceresdorp (welstandsgebied 2) komt hoofdzakelijk stedelijke bebouwing voor en woonwijken met een variatie aan woonmilieus.
In zowel Stadskanaal als Musselkanaal komen grootschalige woonwijken voor met overwegend strokenbouw als twee onder een kap - en vrijstaande woningen. Het centrum kenmerkt zich door autonome en geclusterde gebouwen. Parkwijk bestaat hoofdzakelijk uit villa-achtige bebouwing uit de jaren 20 en 30 en sociale woningbouw, terwijl de nieuwe woonwijk Waterland uit geschakelde, twee onder een kapwoningen en vrijstaande bebouwing bestaat. Ook komt in Stadskanaal een aantal opvallende flatgebouwen voor.
In het centrum van Musselkanaal bevinden zich grote bouwmassa’s die de omgeving domineren.

Welstandsgebied 3 betreft de bedrijventerreinen in zowel Stadskanaal als Musselkanaal.
Deze gebieden kenmerken zich door grootschalige bedrijfsbebouwing welke vrij in de ruimte is gelegen en de aanwezigheid van bedrijfswoningen.
In de kernen Alteveer, Onstwedde en Mussel (welstandsgebied 4) komen lintbebouwing, vrijstaande -/ half vrijstaande - en rijtjeswoningen voor. Het kerkgebied in Onstwedde vertegenwoordigt, met zijn historische kern, een zekere ensemblewaarde.
Het Buitengebied (welstandsgebied 5) is opgedeeld in het veenkoloniale gebied, de ecologische hoofdstructuur (EHS) en Smeerling met zijn karakteristieke boerderijen, dat tot beschermd dorpsgezicht is verklaard en een aantal monumenten kent.

Voor een nadere omschrijving wordt verwezen naar de betreffende welstandsgebieden.

3.1.3 Gebiedsindeling

In de gemeente Stadskanaal kunnen op basis van de ruimtelijke structuur en de daarmee samenhangende overeenkomsten in functionele, stedenbouwkundige en/of architectonische kenmerken vanuit welstandsoptiek 5 deelgebieden worden onderscheiden. Deze deelgebieden vallen niet altijd samen met de grenzen van de bestaande bestemmingsplannen.
Per deelgebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen:

  • Een korte omschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken, het materiaal - en kleurgebruik en de detaillering.
  • Een samenvatting van het beleid, de te verwachten en/of gewenste ontwikkeling(en) en de waardering van het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, stedenbouwkundige of architectonische werken.
  • Het voor het gebied geldende welstandsniveau.
  • De welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de relatie met de omgeving van het bouwwerk, de bouwmassa en vormgeving, de detaillering en het materiaalgebruik alsook eventuele aanvullende welstandscriteria.

3.1.4 Welstandsniveaus

Per gebied is nagegaan welk ambitieniveau voor het welstandstoezicht redelijk is, dat wil zeggen op welk niveau de welstandscriteria moeten worden uitgewerkt. Het spreekt voor zich dat dit een beleidskeuze is die nauw samenhangt met het gehanteerde ruimtelijk beleid en de gewenste ontwikkelingen daarvan. In theorie zijn er vier welstandsniveaus mogelijk, namelijk:

  • Beschermd dorpsgezicht.
    Deze aangewezen gezichten worden van algemeen belang geacht wegens de schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel de wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Het welstandstoezicht moet in deze gebieden een bijdrage leveren aan de gewenste bescherming en zal nauw aansluiten op het bestemmingsplan en het monumentenbeleid.
  • Het bijzondere welstandsniveau.
    Het gaat hier om gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht en waar de gemeente, naast het welstandstoezicht, ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet of in de nabije toekomst zal inzetten. In deze gebieden moet het welstandstoezicht een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit.
  • Het reguliere welstandsniveau.
    Het betreft hier gebieden met een eigen, te onderscheiden en gewaardeerde ruimtelijke kwaliteit. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van deze kwaliteit.
  • Het basis welstandsniveau.
    Deze gebieden kunnen afwijkingen in de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur verdragen, welke op een verantwoorde wijze dienen plaats te vinden.

In de gemeente Stadskanaal komt het basis welstandsniveau niet voor omdat het beleid van de gemeente erop is gericht de bestaande ruimtelijke kwaliteit van de onderscheidene gebieden te handhaven en daarom hecht aan een gedegen welstandstoezicht.

Op de kaart met welstandsgebieden komen de hierna vermelde gebieden voor, met voor elk gebied daaraan gekoppeld het op de kaart met welstandsniveau’s aangegeven welstandsniveau.

Welstandsgebied Welstandsniveau
1. Kanaalzone met lintbebouwing bijzonder
2. Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp
bestaande uit:
 
- Woongebieden 50 / 60 / 70-er jaren regulier
- Woongebieden 80 - en 90-er jaren regulier
- Centrumgebieden regulier
- Waterland regulier
- Parkwijk regulier
3. Bedrijventerreinen regulier
4. Alteveer - Onstwedde - Mussel
bestaande uit:
 
- Woongebied regulier
- Kerkgebied Onstwedde bijzonder
5. Buitengebied
bestaande uit:
 
- Veenkoloniaal gebied regulier
- Ecologische hoofdstructuur regulier
- Smeerling beschermd dorpsgezicht
- Barkelazathe bijzonder

De motivatie om in een bepaald welstandsgebied te kiezen voor het bijzondere welstandsniveau dan wel het reguliere welstandsniveau wordt in de beschrijving van de afzonderlijke welstandsgebieden gemotiveerd.

3.1.5 Gebiedsbeschrijvingen

In deze paragraaf worden de volgende vijf welstandsgebieden behandeld:

  • 3.1.5.1 Kanaalzone met lintbebouwing
  • 3.1.5.2 Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp
  • 3.1.5.3 Bedrijventerreinen
  • 3.1.5.4 Alteveer - Onstwedde - Mussel
  • 3.1.5.5 Buitengebied

Een aantal welstandsgebieden is weer onderscheiden in een aantal aandachtsgebieden, waarbij de gebiedsgerichte welstandscriteria per aandachtsgebied zijn geformuleerd. Dit geldt voor 3.1.5.2 Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp, 3.1.5.4 Alteveer - Onstwedde - Mussel en 3.1.5.5 Buitengebied.

In paragraaf 3.1.3 is een toelichting gegeven op bovenstaande gebiedsindeling.

3.1.5.1 Kanaalzone met lintbebouwing
Ligging en begrenzing

Dit welstandsgebied betreft de gehele kanaalzone met lintbebouwing, zoals die is gelegen binnen de gemeentegrenzen van Stadskanaal. Onder de kanaalzone met lintbebouwing wordt hier verstaan het kanaal met de direct daaraan gelegen kaden, straten en erven met bebouwing. De evenwijdig aan de kanaalzone lopende begrenzing van dit welstandsgebied valt vrijwel geheel samen met de “Heemsloot”.

Karakteristiek en historie

In 1765 gaf de stad Groningen opdracht tot het graven van het kanaal, het Stadskanaal, voor het vervoer van de turf in de veenkoloniën. De kanaalzone met lintbebouwing kan worden beschouwd als het karakteristieke beeld bij uitstek van de gemeente Stadskanaal en is tevens het meest in het oog springende historische element. Hier heeft zich het industriële verleden van de gemeente grotendeels afgespeeld. Het oudste woongebied van Stadskanaal is te vinden in de kanaalzone, met monumentale bouwwerken uit de bloeiperiode van de veenkoloniën uit de tweede helft van de negentiende eeuw en objecten zoals sluizen en bruggen.
De kernen Stadskanaal en Musselkanaal zijn veenkoloniale nederzettingen, die zijn ontstaan langs het kanaal. Musselkanaal is van recentere datum en behalve als voortzetting van Stadskanaal ook vanuit de oostelijk gelegen zandrug de Horsten ontstaan. De continuïteit van de kanaalzone wordt vooral ter plaatse van de dubbele knik in de kanaalzone onderbroken; deze markeert de overgang van Stadskanaal naar Musselkanaal en is mede door de aanwezigheid van de watertoren een sterk oriëntatiepunt. In het centrum van Musselkanaal is sprake van een andere onderbreking, veroorzaakt door de verschuiving van de hoofdverkeersweg van de oost- naar de westkant van het kanaal. Omdat de kanaalzone met lintbebouwing zich langs meerdere plaatsen uitstrekt, vormt deze het belangrijkste beeldbepalende element in zowel de gemeente Stadskanaal als het omliggende gebied. Voor het grootste deel, ca. 18 km, is de kanaalzone gelegen in de gemeente Stadskanaal.

De lintbebouwing kan binnen de gemeente worden beschouwd als onderdeel van het stedelijke gebied, met als voornaamste thema “wonen”. In dit gebied is de woonfunctie dan ook dominant. Karakteristiek voor de Sluisstraat en Marktstraat in Musselkanaal is de menging en grote verscheidenheid van functies. In vergelijking met de kadezijde is er naast de woonfunctie sprake van een relatief groot aantal andere functies. Langs de kadezijde in Stadskanaal en Musselkanaal overheerst de woonfunctie. In het verleden is in de kanaalzone een kleinschalige, historische veenkoloniale bebouwing ontstaan, met een verkaveling loodrecht op het kanaal. Kenmerkend voor de historische structuur van de veenkolonie is de logische gerichtheid van de gebouwen op de rooilijn, evenwijdig aan het kanaal.

De tweezijdig opgaande bomenrij accentueert het rechtlijnige karakter van de kanaalzone. Het kanaal heeft een asymmetrisch profiel, met een relatief steil talud met grote bomen aan de straatzijde en een flauwer en tevens lager talud met bomen aan de kadezijde. Vooral de centrumgebieden hebben een meer steenachtig wegprofiel, met kadewanden in plaats van een berm. Deze factoren benadrukken het eigen karakter van de beide zijden van de kanaalzone; formeel en stedelijk aan de straatzijde en informeel en dorpsachtig aan de kadezijde. De bebouwing ter hoogte van Musselkanaal staat in vergelijking met Stadskanaal wat dichter op de straat. Verspreid over de woonbebouwing zijn kleine bedrijven en winkels aanwezig.
Kenmerkend voor de historische bebouwing is de repeterende korrelgrootte en de grote diversiteit aan gebouwen. De kavelbreedte van de woningen is over het algemeen 10 meter. Incidenteel is sprake van bredere percelen. De bebouwing wordt gekarakteriseerd door kleine tot middelgrote vrijstaande woningen met een zadeldak, voornamelijk vooroorlogse particuliere woningen. Woningen met een enkelvoudige bouwmassa en een duidelijke kapvorm hebben de overhand. De daken zijn met hun nokrichting overwegend haaks op de aanliggende straat georiënteerd en hebben voor het merendeel een relatief steile dakhelling vanaf 45° of meer. In die gevallen waarin de daken parallel aan de straat liggen of afwijkende kapvormen voorkomen, gaat het vaak om een herhaling op kleine schaal. Gebouwen met platte daken komen voor, maar zijn eerder uitzondering. Bijzondere elementen in de bebouwing worden gevormd door een aantal, vaak monumentale, boerderijen, een groot aantal kerken en andere gebouwen met grote bouwmassa’s zoals scholen. Deze liggen doorgaans verder terug van de straat en vormen daarmee een logische onderbreking in het overheersende straatbeeld. De lintbebouwing heeft een relatief grote dichtheid, maar in de richting van de gemeentegrens aan de noordzijde krijgt deze een meer open karakter, om vervolgens abrupt op te houden bij de overgang naar het open gebied.

Ten opzichte van de historische, kleinschalige bebouwing langs het kanaal is de bebouwing ter hoogte van de centrumgebieden van Stadskanaal en Musselkanaal grootschaliger van opzet en veelal aaneengeschakeld. Het op die manier ontstane beeld van min of meer doorlopende gevelwanden wijkt zichtbaar af van de historische korrelgrootte. De hoek Europalaan/Hoofdstraat kan worden beschouwd als de entree van het centrumgebied van Stadskanaal. Hier is een modern ogende woontoren gerealiseerd, “Het Raethuys”, die door zijn grote hoogte als blikvanger en oriëntatiepunt fungeert. De in het Structuurplan 1998 voorgenomen nieuwbouw voor ouderen in Musselkanaal is intussen gerealiseerd; aan de Havenkade en de Badstraat staan nu een aantal grote appartementengebouwen.

De bouwkundige detaillering van de gebouwen is overwegend eenvoudig, maar er is ook een aantal oudere panden dat op detail- en decoratieniveau een behoorlijke kwaliteit bezit. Het materiaalgebruik is overwegend traditioneel van aard, met onder meer keramische dakpannen, gemetselde gevels en houten kozijnen. Daarnaast komen ook betonpannen voor als dakbedekking. Het kleurgebruik is terughoudend, met donkergekleurde dakpannen en metselwerk in roodachtige tinten. Accenten komen voor in de zin van wit geschilderde daklijsten en kozijnen. Een belangrijke beeldbepalende factor in het centrumgebied van Stadskanaal is de doorgaande pergolaconstructie met daaraan gekoppelde luifels. Deze vertonen een grote verscheidenheid in vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik. In het centrumgebied van Musselkanaal is de bovenbouw van een aantal panden naderhand bekleed met geprofileerde staalplaat. Het oorspronkelijke gevelbeeld is daarmee totaal veranderd.

In het gebied komen verschillende monumenten voor. De markante watertoren aan de Ceresstraat, ter hoogte van de knik in de kanaalzone, is vanwege zijn hoogte en verschijningsvorm een belangrijk herkenningspunt langs het kanaal. Het nabij gelegen streekhistorisch centrum, huize “Ter Marse”, draagt ook bij aan het karakter van de plek. In Stadskanaal zijn de sluizencomplexen aangewezen als rijksmonument. Voor een volledige opsomming van monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 van deze nota.

Toekomstvisie en beleid

Voor behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de kanaalzone geldt de identiteit en het historische besef als uitgangspunt. De identiteit van een gemeenschap hangt in belangrijke mate samen met de cultuurhistorie van een gebied. Deze vormt als het ware het collectieve geheugen. Voor de identiteit van de gemeente Stadskanaal is de historische veenkoloniale structuur van groot belang, met de kanaalzone als essentiële factor. Het kanaal kan worden beschouwd als een sterk monumentaal object, dat voor de verdere ontwikkeling van de gemeente nog beter kan worden benut. De gemeente is van mening dat het kanaal met zijn sluizen- en bruggencomplexen behouden moeten blijven voor de toekomst.
De historische korrelgrootte van het lint doet recht aan de menselijke schaal en herbergzaamheid en vormt daardoor een waardevol element. Het beeld van eenheid in verscheidenheid - repetitie van verwante korrels zonder klakkeloze imitatie - moet worden bewaard. Nieuwbouw, vooral grote bouwmassa’s, vertoont steeds minder streekeigen kenmerken, wat een vervlakking van de oorspronkelijke diversiteit in de hand werkt.

Het achttien kilometer lange kanaal is in ruimtelijk opzicht een sterke drager. Het profiel moet worden gehandhaafd en waar mogelijk versterkt. Een punt van verbetering van de periferie van de kanaalzone is de overgang van de kanaalbebouwing naar het landelijke gebied. Door aanleg van bos en realisering van grotere korrels - woningbouw op ruimere percelen in combinatie met gestructureerd groen - kan deze overgang worden verbeterd.

Het Structuurplan 1998 geeft aan dat met het beeldkwaliteitplan Stadskanaal (1994) de in dat plan beschreven waardevolle architectonische elementen voor langere termijn in stand moeten worden gehouden. Het beeldkwaliteitplan besteedt aandacht aan de architectonische kwaliteit van de kanaalbebouwing binnen de dorpsgrenzen van Stadskanaal en een aantal zijstraten en biedt een kader voor beleid en advisering ten aanzien van de beeldkwaliteit van deze bebouwing. De beeldkwaliteitnota Stadskanaal - Musselkanaal (1993) bevat in hoofdzaak een beschrijving en elementenanalyse van de bijzondere plekken en een waardering ervan. Gezien vanuit het perspectief van de onderhavige gebiedsbeschrijving wordt in hoofdlijnen aangesloten op het beeldkwaliteitplan.

Eventuele nieuwe bebouwing moet worden ingepast in de voor de kanaalzone karakteristieke, historische veenkoloniale structuur. Dat betekent dat de bebouwing haaks op het kanaal moet worden geplaatst en nadrukkelijk op het kanaal moet zijn gericht. Gezien de historische korrelgrootte zal een overwegend kleinschalige bebouwing, die ook nog vrij op de bijbehorende kavel staat, als uitgangspunt worden gehanteerd. De aanwezige eenheid in verscheidenheid moet als thema worden gehanteerd bij de invulling van het gevelbeeld. Per korrel zal naar een eigen, individuele invulling worden gestreefd. Hiermee kan de vervlakking van de diversiteit worden tegengegaan.

Gezien de gerichtheid van de bebouwing op het kanaal moeten blinde gevels absoluut worden geweerd, zowel op voetgangerniveau als op de hoger gelegen verdiepingen. Het beleid is erop gericht om het, in dit opzicht, plaatselijk verstoorde gevelbeeld te herstellen. Afwijkingen ten opzichte van de hoofdkarakteristiek van de kanaalzone zijn toelaatbaar, mits incidenteel voorkomend en op locaties die zich daarvoor lenen. Dergelijke locaties kunnen bijvoorbeeld plaatselijke verruimingen zijn binnen de historische korrelgrootte.

Het op termijn verplaatsen van bedrijven uit woongebieden naar bedrijventerreinen kan worden aangewend als middel om de historische karakteristiek van het lint te versterken en de woon- en leefsituatie te verbeteren. Voor de grotere bedrijven in de kanaalbebouwing, die geen verdere uitbreidingsmogelijkheden meer hebben, moet bedrijfsverplaatsing worden onderzocht. Daarmee wordt ruimte geboden aan uitbreiding van de bedrijven en verdwijnen milieubelastende en woon- en leefomgevingbelastende activiteiten uit de karakteristieke lintbebouwing. Het opnieuw ontwikkelen van vrijkomende bedrijfspercelen met woningbouw is noodzakelijk voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit.

Ofschoon gebouwen met een stedelijke allure op hun plaats zijn in de centrumgebieden, is toch enige terughoudendheid geboden in de realisering ervan.
Dergelijke gebouwen vormen in principe een inbreuk op de historische karakteristiek van de kanaalzone. Er moet dan in ieder geval gezocht worden naar een kwaliteit in vormgeving, detaillering en kleur- en materiaalgebruik die de bestaande omgeving respecteert. Ten aanzien van nieuwbouw van grotere gebouwen moet met het beleid worden aangesloten op de logische inpassing van de oudere, grote gebouwen in de kanaalzone. Dat wil zeggen dat dergelijke objecten verder van het kanaal af moeten worden geplaatst. Hiermee wordt ook de autonomie van het object benadrukt. De delen van de lintbebouwing die samenvallen met de centrumgebieden kenmerken zich door een hogere bebouwingsdichtheid met relatief grote bouwvolumes en een daardoor eigen visuele karakteristiek. In deze context zijn relatief grote bouwmassa’s die min of meer in dezelfde voorgevelrooilijn liggen als de omliggende bebouwing goed toelaatbaar.

Behoudens accenten moet in het materiaal- en kleurgebruik worden aangesloten op het traditionele karakter van de historische bebouwing. Het algemene gevelbeeld van het lint, dat wordt bepaald door overwegend roodachtige baksteen, is plaatselijk onderbroken door gevelvlakken in een lichte of bijna witte tint. In het beleid moet het behoud en de versterking van het oorspronkelijke beeld echter vooropstaan.

De in het centrumgebied ontstane wildgroei van luifels heeft de beeldkwaliteit ter plaatse danig aangetast. In combinatie met de doorgaande pergolaconstructie is het beeld van een langgerekte horizontale band ontstaan, die haaks op de oorspronkelijke verschijningsvorm van de lintbebouwing staat. Voor luifels zijn in deze nota aparte, objectgerichte welstandscriteria geformuleerd.

Welstandsniveau

De beeldkwaliteit van de kanaalzone is direct gekoppeld aan de historie van het gebied en is daarom ook essentieel voor de identiteit van de gemeente. Extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit is hier dan ook gewenst. Het hieruit voortvloeiende ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dat deze een bijdrage levert aan de versterking van deze kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied het bijzondere welstandsniveau gekozen.

Gebiedsgerichte welstandscriteria
Relatie met de omgeving
  • Nieuwe gebouwen moeten haaks op het kanaal worden geplaatst.
  • Gebouwen moeten met hun representatieve zijde (in principe de voorgevel) zijn gericht op het kanaal.
  • Nieuwe gebouwen moeten vrijstaand op het bijbehorende perceel worden geplaatst, tenzij het bestemmingsplan aangeeft dat er aaneengebouwd mag worden.
  • Belangrijk grotere bouwmassa’s dan de omliggende (woon)bebouwing moeten ten opzichte hiervan duidelijk zichtbaar en in verhouding tot de bouwmassa verder van het kanaal af worden geplaatst. Deze regel geldt echter niet voor de met de centrumgebieden samenvallende delen van de lintbebouwing.
  • Bedrijfsmatige activiteiten en het parkeren van voertuigen dienen aan de van het kanaal afgekeerde zijde (in principe de achtergevel) plaats te vinden.
Bouwmassa en vormgeving
  • Afgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing, met dien verstande dat letterlijke, seriematige herhaling niet is toegestaan.
  • Gebouwen met een duidelijk zadeldak gelden als uitgangspunt, met dien verstande dat de toelaatbaarheid van een afwijkende kapvorm of plat dak per situatie zal worden beoordeeld. Binnen de context van de historische lintbebouwing mag daarbij geen onevenredige afbreuk aan het totaalbeeld worden gedaan.
  • Bij gebouwen met een kap zijn alleen dwarskappen toegestaan, dus met de nokrichting haaks op het kanaal.
  • Blinde gevels in de naar het kanaal gerichte zijde zijn niet toegestaan.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Afgestemd op de belendende bebouwing, met een eenvoudige maar zorgvuldige detaillering als uitgangspunt.
  • Gebouwen op hoeklocaties moeten zijn voorzien van een rijkere detaillering met architectonische accenten.
  • Gebouwen met een plat dak dienen ter plaatse van de aansluiting van de voorgevel (de naar de kanaalzijde gerichte gevel) met het dak zorgvuldig te zijn gedetailleerd.
  • In de materialisering moet verwantschap worden bereikt met het historische lint, door het toepassen van baksteen in een roodachtige tint en keramische dakpannen. Afwijking hiervan is alleen mogelijk na overleg en indien kleuren en materialen worden afgestemd op belendende bebouwing.
  • Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt.
3.1.5.2 Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp
Ligging en begrenzing

De grote kernen Stadskanaal en Musselkanaal (inclusief Ceresdorp) vallen binnen dit welstandsgebied, met uitzondering van de kanaalzone met lintbebouwing. In geografisch opzicht zijn binnen dit welstandsgebied vier, vrij van elkaar gelegen, deelgebieden te onderscheiden:

  • 1. Het deel van Stadskanaal, dat in grote lijnen wordt begrensd door de provinciale weg, de Nautilusweg, de kanaalzone met lintbebouwing, de Van Boekerenweg, de Atlantislaan en de Onstwedderweg.
  • 2. Het deel van Stadskanaal, dat is gelegen tussen de kanaalzone en de provinciegrens en verder wordt begrensd door de Buinerweg in het zuiden en de Gasselterstraat in het noorden.
  • 3. Ceresdorp, gelegen aan de oostzijde van de dubbele knik in de kanaalzone, tussen de Gedempte Vleddermond en de Ceressingel.
  • 4. Het deel van Musselkanaal, begrensd door het buitengebied, het Mussel-A-kanaal en de kanaalzone met lintbebouwing.
Karakteristiek en historie
Algemeen

Binnen de gemeente Stadskanaal komen verschillende woonmilieus voor met een eigen identiteit en kwaliteit. Dit welstandsgebied kenmerkt zich vooral door het thema stedelijk wonen.

De ontginningsgeschiedenis van het veengebied rond Stadskanaal en Musselkanaal is nog duidelijk herkenbaar in de huidige ruimtelijke structuur. Dit is af te lezen uit de verkavelingrichtingen, de overeenkomsten in bouwmassa’s en de mate van aaneengesloten bebouwing. De verkaveling is gelijk aan die van het onderliggende landschap. Hierdoor is een heldere structuur ontstaan, die als drager voor de ruimtelijke kwaliteit fungeert en van cultuurhistorische waarde kan worden genoemd.

De komst en verdere expansie van Philips in de jaren 50 en 60 diende als katalysator voor de uitbouw van Stadskanaal, min of meer haaks op de kanaalzone en in de richting van het buitengebied. De bouwstijl uit deze periode is nog steeds bepalend voor het aanzien van veel wijken in Stadskanaal. In het gehele welstandsgebied is de woonfunctie dominant aanwezig en dan vooral in de meer planmatige uitbreidingen. In de richting van de kanaalzone is sprake van een toename aan centrumfuncties, zowel in Stadskanaal als in Musselkanaal. Op korte afstand van de centrumgebieden bevinden zich de woonwijken, met een variatie aan woonmilieus. Vanaf de provinciale weg dringt het landschap via het parkachtige recreatiegebied Pagedal door tot de woonwijken en het centrum van Stadskanaal. Het groene karakter van de woonwijken wordt hierdoor nog eens benadrukt.

De planmatige uitbreidingen van Musselkanaal zijn ontstaan in de loop van de jaren 30. Na de Tweede Wereldoorlog is de uitbreiding in dit gebied doorgegaan en zijn vanaf de jaren 70 woonbuurten tussen het Mussel-Aa kanaal en de Kruisstraat gerealiseerd. Tussen de Willem Diemerstraat en de IJzeren Klap vormde zich het centrumgebied van Musselkanaal. Aan de oostkant van Musselkanaal bevindt zich een parkgebied, als groene bufferzone tussen de bebouwingsrand en het buitengebied.

In het gebied komen een aantal monumenten voor. Opvallende objecten zijn ondermeer ‘Het Hofje’, bestaande uit bejaardenwoningen rondom een plantsoen en het Julianapark, beide gelegen in Parkwijk, Stadskanaal. Voor een volledige opsomming van monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 van deze nota.

Aandachtsgebieden

Vanuit welstandsoptiek kunnen binnen het welstandsgebied Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp de volgende vijf aandachtsgebieden worden onderscheiden:

  • Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jaren
  • Woonwijken 80-er en 90-er jaren
  • Centrumgebieden
  • Waterland
  • Parkwijk

Deze aandachtsgebieden hebben een dusdanig eigen karakteristiek ten aanzien van hun stedenbouwkundige opzet en verschijningsvorm, dat een aparte behandeling van deze aandachtsgebieden gerechtvaardigd is.

Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jaren

De grootschalige woonwijken uit deze periode zijn vertegenwoordigd in grote delen van Stadskanaal en Musselkanaal. Dit aandachtsgebied betreft voornamelijk de planmatig uitgevoerde uitbreidingen vanaf de kanaalzone in de richting van het buitengebied. In Stadskanaal zijn vooral de wijken Maarsveld, Maarswold, Maarsstee en De Hagen karakteristiek voor deze periode, in Musselkanaal zijn dit onder meer Ceresdorp en de Florawijk.

De wijken uit de 50-er en 60-er jaren hebben een rechthoekig en langgerekt stratenpatroon, met één of meer hoofdontsluitingswegen. Vanuit meerdere gezichtspunten zijn er doorzichten tot aan de randen van de wijken. De jaren 70 wijken, zoals De Hagen in Stadskanaal en het gebied tussen de Kruisstraat en het park in Musselkanaal, hebben een meer slingerend stratenpatroon met typische woonerven. Op een aantal zichtlocaties, zoals langs hoofdontsluitingswegen, zijn flats gerealiseerd. De hoogbouwflats aan de Onstwedderweg en het Pagedal in Stadskanaal vormen daarbij in het oog springend elementen, daar deze aan de rand van een woonwijk zijn gelegen, precies op de grens met het buitengebied respectievelijk het recreatiegebied. Het algemene beeld wordt echter bepaald door laagbouw. Daarbij komen overwegend aaneengesloten woonblokken voor, maar daarnaast zijn er ook vrijstaande en geschakelde woningen aanwezig.

Typerend voor deze periode is de overwegend vrij in de ruimte opgezette strokenbouw. De aaneengesloten woonblokken uit deze periode kenmerken zich qua bouwmassa door een zekere eenvormigheid, zonder noemenswaardige geleding. Er is daarbij sprake van enkelvoudige bouwmassa´s met overwegend twee bouwlagen (exclusief schuine kap) en met een grote samenhang per cluster of rij. De blokken staan overwegend in dezelfde rooilijn en doorgaans met de voorgevel georiënteerd op de straat. Overwegend zijn over de blokken doorlopende zadeldaken toegepast, met de nokrichting parallel aan de weg en in enkele gevallen dwars op de weg. De detaillering is eenvoudig tot sober te noemen en vertoont ook weer een grote samenhang per cluster of rij. Het materiaalgebruik is voornamelijk traditioneel getint, met rood of aardkleurig metselwerk en dakbedekking met (donker)grijze of rode pannen. In de wijk De Hagen zijn, zoals in veel wijken uit de eerste helft van de 70-er jaren, prefab betonnen gevelelementen toegepast.

Woonwijken 80-er en 90-er jaren

Tot deze wijken behoren in Stadskanaal vooral de Borgen en de Vogelwijk. Deze zijn van een vergelijkbare grootschaligheid als de hiervoor behandelde woonwijken van oudere datum. In Musselkanaal zijn geen uitgebreide woonwijken uit deze periode aanwezig, behoudens een aantal clusters zoals aan de Van Swinderenstraat.

De Borgen en de Vogelwijk in Stadskanaal hebben een enigszins bochtig stratenpatroon, waardoor ten opzichte van de oudere woonwijken een meer besloten karakter is ontstaan. Typerend voor de Vogelwijk zijn de twee onder één kap woningen, in de Borgen komen vooral vrijstaande woningen voor. Als karakteristieke kenmerken van de bebouwing in deze wijken kunnen worden genoemd de kleinere korrelgrootte (twee onder één kap- en vrijstaande woningen), verschillen in oriëntatie (onderlinge hoekverdraaiing) en de meer gevarieerde kapvorm. Zowel woningen met een dwarskap als woningen met een langskap komen voor. Daarbij wordt het beeld bepaald door onder meer zadeldaken, schilddaken en lessenaardaken. Naarmate de korrelgrootte afneemt, dus meer vrijstaande woningen voorkomen, neemt de verscheidenheid in architectonische vormgeving, materiaal- en kleurgebruik toe. Aan dit laatste beeld beantwoordt vooral de wijk De Borgen.

Deze verscheidenheid is ook waarneembaar bij de verspreid in het gebied gelegen clusters van vrijstaande (vrije sector)woningen. Deze zijn veelal in één bouwlaag en met een duidelijke schuine kap uitgevoerd. Oriëntatie is afwisselend haaks op of evenwijdig aan de straat. Gevels zijn vaak uitgevoerd in lichtgekleurd metselwerk en wijken daarmee af van het traditionele kleurgebruik. In het bijzonder geldt dit voor De Rail, een straat in het verlengde van Parkwijk, waar zeer lichtgetinte tot witte gevelvlakken prevaleren. De daken zijn veelal in een donkergrijze kleur uitgevoerd, waarbij de toepassing van geglazuurde pannen opvalt.

Centrumgebieden

Zowel het centrum van Stadskanaal als het centrum van Musselkanaal behoren tot dit gebied, behoudens de kanaalzone met lintbebouwing. Naast de winkelfunctie is hier ook de woonfunctie in belangrijke mate aanwezig.

Het centrum van Stadskanaal wordt gekenmerkt door urbane, grootschalige bebouwing en heeft een overwegend stedelijk karakter, dat in sterke mate geaccentueerd wordt door de in de afgelopen jaren gerealiseerde hoogbouw. Opvallend element is de nabij de Wiekedreef, op een markante zichtlocatie, opgerichte woontoren met samengesteld tentdak.

Tussen de parallel aan de kanaalzone lopende Navolaan en de woonbebouwing is een groen gebied aanwezig, dat in ruimtelijk opzicht de hoekverdraaiing opvangt tussen de kanaalzone en de woonbebouwing; de verkavelingrichting van de woonbuurten staat onder een hoek op het kanaal, terwijl die van de kanaalzone daar loodrecht op is gelegen. Het centrum van Musselkanaal is langgerekt van vorm en wordt gedomineerd door een aantal appartementengebouwen met een grote bouwmassa. Als algemene tendens geldt dat de hoogste gebouwen zijn gelegen in het centrumgebied tussen de woonwijken en de kanaalzone met lintbebouwing.

Er is een grote verscheidenheid aan bebouwing aanwezig in de centrumgebieden, vooral in die van Stadskanaal. Kenmerkend zijn de grote, autonome gebouwen met een duidelijke eigen signatuur. Dit wordt versterkt door de grote open ruimten (pleinen en brede lanen) in het gebied. Daarnaast komen ook clusters van gebouwen voor, zoals aan het Europaplein. Het gevelbeeld vertoont veelal een onderscheid in doorgaans gesloten gevelvlakken met relatief kleine gevelopeningen ter plaatse van de bovenbouw en grote, doorgaande glaspuien op straatniveau. In de winkelgebieden wordt het gevelbeeld op voetgangersniveau gedomineerd door winkelpuien met luifels en reclamevoorzieningen. Er is een grote verscheidenheid in zowel vormgeving, detaillering als materiaalgebruik.

Waterland

Dit gebied is gelegen in Stadskanaal-Noord, ten noordoosten van de kanaalzone. Eind jaren 70 werd hier de aardappelmeelfabriek “Toekomst Twee Provinciën”, met de bijbehorende voormalige vloeivelden (TTP terrein), buiten gebruik gesteld.
Volgens het Structuurplan van 1998 zou de uitbreiding van de kern Stadskanaal in dit gebied moeten plaatsvinden. Vanwege de bevolkingsontwikkeling is pas eind jaren 90 het plan Waterland naast dit terrein gerealiseerd. In het gebied is louter de woonfunctie aanwezig.

Het plan Waterland wordt begrensd door de Atlantislaan, de Onstwedderweg, de Bevrijderslaan en het TTP terrein. Ontsluiting van de woningen geschiedt via een langgerekte ringweg, die door de hele wijk loopt. De bebouwing van de wijk kenmerkt zich door een grote diversiteit aan bouwstijlen, van modern tot traditioneel. Opvallend is de relatief grote bebouwingsdichtheid, met een aantal zeer grote woningen, zoals landhuizen en urbane villa’s, op een relatief klein erf. Er is voornamelijk sprake van geschakelde, twee onder een kap en vrijstaande woningen, met een veelal rijke en luxe uitstraling. Het materiaal- en kleurgebruik neigen naar het traditionele, zij het dat in de detaillering moderne elementen zijn waar te nemen.

Parkwijk

Met Parkwijk wordt in deze nota het gebied bedoeld dat globaal wordt begrensd door de Drouwenerstraat, de kanaalzone met lintbebouwing, de Buinerweg en de gemeentegrens, tevens provinciale grens. De woonfunctie is hier overheersend.
Als saillant voor Parkwijk geldt de bijzondere verscheidenheid en kwaliteit van de deelbuurten, gepaard aan de stedenbouwkundige samenhang en eenheid.

Deze wijk vindt zijn oorsprong in de realisatie van een villawijk in de jaren 20 en 30, ten zuiden van de Drouwenermond, naar een ontwerp van de gemeentearchitect Meinen. De hoofdstructuur wordt gevormd door vier haaks op de kanaalzone georiënteerde straten en de enigszins slingerende straat langs de gemeentegrens. Door de sterk gefaseerde aanleg is een grote verscheidenheid aan woonsferen ontstaan. Karakteristiek is de nauwe vermenging van diverse architectonische en stedenbouwkundige opvattingen, met een grote verscheidenheid aan woningtypen en verkavelingvormen. Het deels in Engelse landschapsstijl aangelegde Julianapark verleent vooral de villabuurt zijn parkachtige karakter, dat nog eens wordt versterkt door het enigszins slingerende stratenpatroon. Aan weerszijden van het Julianapark is een meer rechthoekig stratenpatroon te herkennen, met een variatie van rijenbouw en vrijstaande woningen. De bebouwing in de nabije omgeving van het park kenmerkt zich door vrijstaande burgerwoningen en villa’s in typische jaren 20 en 30 architectuur, maar wel met een individuele karakteristiek.
Ten oosten van het park is in 1938 ‘Het Hofje’ gerealiseerd, een in een U-vorm gebouwde cluster van bejaardenwoningen rondom een plantsoen. In de bouwstijl zijn een traditionele vormgeving en elementen uit de Delftse school te herkennen.
In de vrijstaande woningen en villa’s zijn elementen uit de Amsterdamse School en soms de Engelse landhuisstijl te herkennen. Deze elementen leiden in beginsel tot een elitaire en exclusieve bouwstijl. Daarentegen zijn de overige woningen en woonblokken opgericht in een eenvoudige en sobere architectuur, met invloeden van de Delftse School. Deze laatste kenmerkt zich door gebouwen met een rechthoekige plattegrond, tamelijk gesloten gevels en een zadeldak. Of anders gezegd; een bouwwijze die teruggrijpt op de traditionele bouwpraktijk. In dit aandachtsgebied is naast vooroorlogse woningbouw ook sprake van naoorlogse en meer recente woningbouw, met de voor die perioden kenmerkende vormgeving en detaillering. Zo zijn in de jaren 80 nabij het Julianapark een aantal vrijstaande, vrije sectorwoningen gerealiseerd, die qua bouwmassa min of meer gelijkwaardig zijn, maar ten aanzien van vormgeving en detaillering een grote diversiteit vertonen. Langs de Buinerweg en de Lyceumlaan bevinden zich flats die qua gebouwhoogte en massa duidelijk afwijken van het overwegend “fijnkorrelige” karakter van dit gebied.

De genoemde visuele kwaliteiten maken dat Parkwijk zich in hoge mate onderscheidt van de rest van het welstandsgebied. Er is in deze wijk sprake van structuur en een verassende variatie.

Toekomstvisie en beleid
Algemeen

In het Provinciaal OmgevingsPlan (POP) van december 2000 wordt de stedelijke vernieuwing als een belangrijk thema opgevoerd om de leefbaarheid van de kernen te verbeteren. In de kernen Stads- en Musselkanaal is het stedelijke gebruik richtinggevend voor nieuwe ontwikkelingen, met uitzondering van het Pagedal, waar het recreatieve gebruik voorop dient te staan. Het Structuurplan1998 voor de gemeente Stadskanaal geeft een beeld van de ruimtelijke ontwikkeling van Stadskanaal tot het jaar 2010, met een doorkijk naar latere jaren. Dit plan kent als belangrijkste beleidsthema de verbetering van de ruimtelijke kwaliteiten van het woon- en leefmilieu, met onder meer aandacht voor de fysieke kwaliteiten ervan. Tevens is het Structuurplan gericht op het handhaven of realiseren van kwalitatief en kwantitatief voldoende groenvoorzieningen. Het lopende herstructureringsprogramma in de woonwijken blijft speerpunt van beleid om de integrale woonkwaliteit op een hoger peil te brengen.

Nieuwbouw met een hoge kwaliteit en belevingswaarde, herstructurering van bestaande woonwijken en het tot stand brengen van een landelijke dan wel stedelijke sfeer op de daartoe geëigende locaties kunnen als belangrijke doelstellingen worden genoemd. Naast de nieuwbouwlocaties is de aandacht voor de komende jaren sterk gericht op het bouwen binnen de bestaande woonomgeving. Op saneringslocaties binnen de bestaande woonomgeving wordt gezocht naar het stedenbouwkundig verantwoord inpassen van woningbouw. Dit laatste geldt ook voor woningbouw op nieuwe uitbreidingslocaties aan de randen en eventuele hoogbouw; de eerder genoemde flats langs de Onstwedderweg en het Pagedal zijn destijds, vanuit stedenbouwkundig oogpunt, niet op de meest voor de hand liggende plaats gebouwd. Dergelijke hoogbouw wordt nu voornamelijk in en nabij de centrumgebieden geprojecteerd.

Voor Musselkanaal geldt dat tevens de nadruk wordt gelegd op nieuwbouw voor ouderen. In dit kader zijn de appartementencomplexen aan de Havenkade en Badstraat tot stand gekomen. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd ten aanzien van woningbouwlocaties voor (half)vrijstaande woningen. Naast het ontstaan van inbreidingslocaties binnen de bestaande bebouwing zal ruimte worden geboden om in de toekomst ook nog enige uitbreiding van Musselkanaal te realiseren. Om het inwonertal in Musselkanaal op peil te houden wordt gestreefd naar realisatie van voldoende hoogwaardige nieuwbouw. De komende tijd zullen dan ook ingrijpende maatregelen in de bestaande woningvoorraad nodig zijn.

De nieuwe ontwikkelingen zullen voldoende ruimtelijke kwaliteiten in zich moeten hebben. Van belang zijn daarbij de aandacht voor de menselijke schaal en het gevoel van herbergzaamheid, eenheid in verscheidenheid (heldere basisstructuren met daarbinnen een vrije invulling), identiteit en historisch besef en de relatie tussen het stedelijke en landelijke gebied.

Het thema “De Groene Stad” is in samenhang met “De excellente woongemeente” tot beleidslijn gekozen als richtsnoer voor het ontwikkelen van de groenstructuur in de woonwijken en het buitengebied. Aan de gehele groenstructuur wordt een belangrijke rol toebedacht, zowel in de woonwijken als aan de randen ervan. Het openbaar groen in de woonwijken moet een wezenlijke bijdrage aan het straatbeeld gaan leveren en zal op diverse locaties worden verbeterd. Voor een betere samenhang en een meer harmonieuze overgang tussen de bebouwing en het buitengebied is het beleid de komende jaren sterk gericht op het verder vergroenen van de randen van in het bijzonder Stadskanaal-Noord, Ceresdorp en Musselkanaal. Dit verbetert de landschappelijke kwaliteit en dus ook de woon- en leefomgeving. Daarnaast wordt voor sommige situaties gedacht aan bosaanleg in combinatie met woningbouw. Het recreatiegebied Pagedal heeft voor de bewoners een hoge belevings- en gebruikswaarde en mag hierin dan ook zo min mogelijk worden aangetast.

Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jaren

De woonwijken in Stads- en Musselkanaal zijn nu al onderhevig aan een zekere dynamiek vanwege de in gang gezette ontwikkelingen. Voor deze wijken is het doel om de woon- en leefomgeving te verbeteren en gevarieerde woonmilieus tot stand te brengen. Verdunning van woongebieden in herstructureringswijken, waar door naoorlogse woningbouw een onwenselijke verdichting is ontstaan, speelt hierbij een rol. Met het oog op een goed woon- en leefklimaat wordt gedacht aan de sloop van woningen en herbouw in samenhang met de infrastructuur en groenstructuur. Het behoud en de opwaardering van de (goedkope) woningvoorraad zal gebeuren aan de hand van de herstructurering van een aantal woonwijken zoals Maarsveld in Stadskanaal en Ceresdorp bij Musselkanaal. Binnen deze woonwijken worden nieuwe woningen gebouwd, waarbij moet worden opgemerkt dat de herstructurering van Maarsveld in de loop van 2004 zal zijn afgerond. Na deze ontwikkelingen zal de gemeente haar aandacht gaan richten op de overige woonwijken. Andere ontwikkelingen zijn de bouw van woningen op het voormalige LTS terrein en een mogelijke uitbreiding met woningbouw tussen de Floralaan en De Horsten in Musselkanaal. Op het terrein van de voormalige LTS is een herontwikkeling gaande, waarbij wordt gedacht aan de realisatie van een aaneengesloten buurtpark en bebouwing met een aantal (half)vrijstaande woningen. Het traditionele kleur- en materiaalgebruik in de streek wordt in grote lijnen weerspiegeld in de huidige bebouwing, zoals het rode of aardkleurige metselwerk van veel gevels. Daarentegen vormen de in de wijk De Hagen toegepaste prefab betonnen gevelelementen een wezensvreemd element.

Het openbaar groen in deze wijken ontbeert samenhang en is teveel versnipperd.
De groenstructuur zal daarom meer moeten worden verweven met het wonen en daarmee ook bijdragen aan het landelijke karakter. De gemeente heeft de groenstructuur inmiddels in kaart gebracht. De wijk Musselpark heeft weer een groene en ruime opzet. Vanuit de woonwijken lopen zichtlijnen door in het omliggende open landschap, wat de groene sfeer van de wijken nog eens versterkt. Dit aspect moet dan ook worden gerespecteerd. De voorgenomen verdere vergroening van de randzones zal bij moeten dragen aan het landelijke karakter.
De in gang gezette herstructurering is aanleiding om gelijktijdig te zorgen voor een gewenste verbetering van de ruimtelijke structuur en verbetering en betere inpassing van het openbaar groen. Deze zal een wezenlijke bijdrage moeten gaan leveren aan het straatbeeld.

Woonwijken 80-er en 90-er jaren

Voor de komende tijd is in deze wijken weinig dynamiek te verwachten. Uitgangspunt is dan ook het behouden van de bestaande kwaliteiten van bebouwing en directe omgeving.

Centrumgebieden

De in gang gezette centrumontwikkeling in Stadskanaal en Musselkanaal geldt als een speerpunt van beleid. In de komende jaren zal de centrumfunctie van de gemeente Stadskanaal worden versterkt. Het centrum zal dan steeds meer een stedelijk karakter krijgen. Verdichting van dit centrum is een algemeen uitgangspunt, met daarbij het creëren van samenhang als aandachtspunt. Hoogbouw wordt goed mogelijk geacht in de centrumgebieden van Stadskanaal (Stadsplein en Campus) en Musselkanaal.

In 1999 is het Masterplan Centrum Stadskanaal opgesteld en in 2002 heeft de gemeenteraad de Volumestudie Centrum Stadskanaal vastgesteld. De volumestudie bevat een analyse van de stedenbouwkundige opbouw van het gebied en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling met de volgende uitgangspunten:

  • 1. Gebruiken en versterken van de aanwezige kwaliteiten van de Hoofdkade en Europalaan
  • 2. Creëren van een eenduidige sfeer en identiteit voor de Navolaan
  • 3. Verbinden van groengebieden

Eventuele nieuwe bebouwing moet worden ingepast in de historische, kleinschalige, structuur van de Hoofdkade. De aan de overzijde van het kanaal gelegen Hoofdstraat heeft een meer stedelijke uitstraling, waardoor daar nieuwbouw op grotere schaal kan worden toegestaan. Vanwege de aan de kanaalzijde gewenste representativiteit dient expeditie en parkeren aan de achterzijde, aan de Hemenweg, plaats te vinden.

Door invulling van het nieuwbouwprogramma moet het huidige, ruimtelijk gefragmenteerde profiel van de Navolaan worden weggewerkt. Net als bij de Hoofdstraat moet ook hier expeditie en parkeren aan de Hemenweg plaatsvinden. Hoogbouw in de vorm van woontorens aan de Navolaan kan de levendigheid van het centrumgebied vergroten.

De landschappelijke kwaliteit van de met eiken beplante Europalaan is een opvallend aspect. Gedacht wordt aan versterking van de aanwezige groenstructuur door de Europalaan door te trekken tot aan het Julianapark aan de andere zijde van de kanaalzone. Hiermee wordt het karakter van de laan als belangrijk structurerend element nog meer benadrukt. Openbaar groen accentueert de veelal stedelijke en stenige ruimten in deze centra. Bijzondere accenten in het groen moeten het visitekaartje vormen van dit gebied.

Het eerder genoemde Masterplan is inmiddels uitgevoerd. In dat kader zijn in 2005 de Kiepkörf, de Menistenlaan en het Menistenplein gerealiseerd. De recreatieve functie van het centrum is versterkt door de omvorming van het Raadhuisplein en het Europaplein tot één groot Stadsplein, waarvan de laatste afwerking in 2006 heeft plaatsgevonden.

In 2005 hebben de gemeente Stadskanaal en de woningcorporatie Wooncom een intentieovereenkomst ondertekend omtrent de verdere uitwerking van het centrumplan Musselkanaal. De realisatie van het het nieuwe centrumplan rond het Willem Diemerplein in Musselkanaal is gericht op wonen, welzijn, zorg en detailhandel. Door een bundeling van sociaal-maatschappelijke en welzijnfuncties moet de leefbaarheid in het dorp bevorderd worden. De inrichting van de openbare ruimte wordt aangepast waardoor de relatie tussen de Markstraat en het Willem Diemerplein wordt verbeterd. Er worden alleen gebouwen met allure, zonder gesloten wanden en met een maximale hoogte van vijf bouwlagen toegestaan.

Waterland (fase 1 t/m 5)

Er wordt gestreefd naar een hoogwaardige invulling van het gebied met een evenwichtige verhouding van vrijstaande en halfvrijstaande woningen en een hoge beeldkwaliteit. Voor fase 5 wordt gestreefd naar ruime bouwpercelen. Ook gelden kwaliteitsnormen ten aanzien van het wonen in relatie tot water en groen. Het streven is om geen vrijstaande bijgebouwen te realiseren. De ontwikkeling op het TTP terrein dient ter afronding van Waterland en als overgang naar de aangrenzende bosontwikkeling. De zorgvuldig tot stand gekomen beeldkwaliteit dient goed te worden beheerd.

Parkwijk

Voor Parkwijk is in januari 2001 een beeldkwaliteitplan opgezet, dat gekoppeld is aan de in artikel 9.1 van de gemeentelijke bouwverordening genoemde algemene welstandscriteria. Het beleid is in principe gericht op het respecteren en waar mogelijk versterken van de bestaande kwaliteiten, omdat zowel de ruimtelijke als de architectonische waarden in dit gebied als vrij hoog worden ervaren. Het gebied is in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) dan ook aangewezen als gebied met bijzondere (stedenbouwkundige) waarden.

Het ruimtelijke beleid is gericht op de versterking van de groenstructuur en het beleid betreffende de woonbebouwing is gericht op het respecteren van de bestaande situatie. In het beeldkwaliteitplan zijn algemene richtlijnen geformuleerd voor de ruimtelijke en architectonische kwaliteit. Ten aanzien van de bebouwing is de aanpak gebaseerd op het type verkaveling en bebouwing, op grond waarvan tot algemene richtlijnen kan worden gekomen. Het streven naar ontwikkeling kan zo gecombineerd worden met een zorgvuldig omgaan met waardevolle kenmerken, omdat duidelijk is aan welke eigenschappen veel belang wordt gehecht.

Momenteel is de gemeente bezig met de uitvoering van een wijkontwikkelingsplan. Dit plan wordt in drie fases uitgevoerd in de periode van 2001 tot en met 2012. Ten aanzien van de woonbebouwing geldt deze alleen voor de sociale woningbouw. Op meerdere locaties in Parkwijk zijn projecten in uitvoering, waarbij (rijtjes)woningen uit de jaren ’50 en ’60 worden gesloopt ten behoeve van vervangende nieuwbouw. De nieuwe ontwikkelingen zullen moeten aansluiten op het karakter van de wijk. Aan de Beatrixstraat en Emmastraat zijn in de loop van 2004 woningen gebouwd in de stijl van de jaren 30. Aan de Julianastraat zijn in 2003 woningen met een gebogen kap gerealiseerd. Het specifieke karakter van Parkwijk is gebaat met dergelijke, overwegend kleinschalige ontwikkelingen. Met de ontwikkeling van grote bouwmassa’s moet hier de nodige terughoudendheid worden betracht. Om de woonomgeving nog verder op te waarderen wordt gedacht aan de herinrichting van een aantal straten.

Drentse Horn, intergemeentelijk structuurplan ISP

Dit gebied past weliswaar niet helemaal binnen het kader van de welstandsnota van de gemeente Stadskanaal, maar moet door zijn bijzondere ligging en status toch worden genoemd. De gemeenten Stadskanaal en Borger-Odoorn hebben gezamenlijk het intergemeentelijke structuurplan (ISP) Drentse Horn opgesteld, voor een gebied dat voor het grootste deel is gelegen op het grondgebied van de gemeente Borger-Odoorn, maar voor een belangrijk deel grenst aan de kern van de gemeente Stadskanaal. Ten behoeve van de ontwikkeling van dit gebied is gekozen voor een model dat in ruimtelijk opzicht aansluit bij het veenkoloniale landschap met zijn lintenstructuur. De historische verkaveling met wijken, diepen en sloten moet in het nieuwe woongebied herkenbaar zijn. Water- en groenstructuren zullen daarbij een belangrijke bijdrage leveren aan de visuele beleving van het gebied. De woonbebouwing zal zoveel mogelijk op het omringende open landschap zijn georiënteerd. De bebouwing nabij betekenisvolle openbare ruimten zal aan stringentere beeldkwaliteitregels wordt onderworpen dan de verderaf gelegen bebouwing.

Welstandsniveau
Dit welstandsgebied kenmerkt zich door diverse aandachtgebieden met elk een eigen, te onderscheiden ruimtelijke kwaliteit. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht voor de Woonwijken, Centrumgebieden, Waterland en Parkwijk is gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor deze aandachtsgebieden het reguliere welstandsniveau gekozen.

Gebiedsgerichte welstandscriteria
Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jaren
Relatie met de omgeving
  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend.
  • Naarmate vrijstaande woningen dichter tegen elkaar aan worden gebouwd, moeten deze onderling een toenemende samenhang vertonen.
  • Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd.
Bouwmassa en vormgeving
  • Afgestemd op de bouwhoogte en –massa van de belendende bebouwing.
  • Enkelvoudige bouwmassa´s met een zadeldak moeten worden toegepast, met uitzondering van bungalows, die ook mogen zijn voorzien van een plat dak.
  • Per cluster of rij moet de massaopbouw een onderlinge, visueel waarneembare samenhang vertonen.
  • Dakopbouwen, bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten qua massa ondergeschikt zijn aan en qua vormgeving afgeleid zijn van het hoofdgebouw, dan wel vormgegeven volgens het principe van de trendsetter.
  • Dakopbouwen c.q. nokverhogingen moeten worden uitgevoerd met een aan het hoofdgebouw identieke dakhelling.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Per cluster of rij moeten de gevels en daken een zekere samenhang vertonen. Voor seriematige bouw geldt daarbij een sterke onderlinge verwantschap als uitgangspunt.
  • Gevels dienen uitgevoerd te worden in metselwerk, hout of plaatmateriaal. Andere materialen mogen alleen na overleg en schriftelijke toestemming en moeten in ieder geval afgestemd zijn op de belendende bebouwing.
  • Dakbedekking van hellende daken moet worden uitgevoerd met dakpannen. Andere materialen mogen alleen na overleg en schriftelijke toestemming en moeten in ieder geval afgestemd zijn op de belendende bebouwing.
  • Een evenwichtige kleurencombinatie moet worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving.
Woonwijken 80-er en 90-er jaren
Relatie met de omgeving
  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend.
  • Er moet worden aangesloten bij de ritmiek van de belendende bebouwing.
  • Het beeld van zowel de aaneengesloten bouwblokken als de open bebouwing moet worden gehandhaafd.
  • De gebouwen moeten met de voorgevels zijn georiënteerd op de straat, waarbij de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing in acht wordt genomen.
Bouwmassa en vormgeving
  • Afgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing.
  • Bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten qua massa ondergeschikt zijn aan en qua vormgeving afgeleid te zijn van het hoofdgebouw.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Gevels moeten bij voorkeur worden uitgevoerd in metselwerk, hout of plaatmateriaal. Andere materialen mogen alleen na overleg en schriftelijke toestemming en moeten in ieder geval afgestemd zijn op de belendende bebouwing.
  • Voor dakbedekking van hellende daken moeten bij voorkeur dakpannen worden toegepast. Andere materialen mogen alleen na overleg en schriftelijke toestemming en moeten in ieder geval afgestemd zijn op de belendende bebouwing.
Centrumgebieden
Relatie met de omgeving
  • De gebouwen zijn met de representatieve zijde georiënteerd op de straat.
  • Naarmate gebouwen dichter tegen elkaar aan worden gebouwd, moeten deze onderling een toenemende samenhang vertonen.
  • Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd.
Bouwmassa en vormgeving
  • Een eenduidige hoofdvorm moet ten behoeve van een rustige en herkenbare omgeving worden toegepast.
  • Een eenvoudige vormgeving geldt daarbij als uitgangspunt.
  • Vrij in de ruimte staande bouwmassa’s dienen als object alzijdig te zijn ontworpen, met een eenheid qua hoofdvorm en (gevel)aanzichten.
  • Winkelpuien moeten eenvoudig worden vormgegeven en daarbij de bestaande omgeving respecteren.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Aan de representatieve zijde zijn blinde gevels op voetgangersniveau niet toegestaan.
  • Een eenvoudige maar zorgvuldige detaillering is gewenst.
  • Toepassing van een kwalitatief hoogwaardige afwerking is vereist.
  • Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving, waarbij evenwichtige en terughoudende kleurencombinaties moeten worden toegepast.
Waterland

Ten aanzien van de oriëntatie van woningen en bijgebouwen zijn in de uitwerkingsplannen van Waterland, fase 1 t/m 4, richtlijnen geformuleerd. In het bestemmingsplan fase 5 is een toetsingskader opgenomen voor de architectuur, kleur- en materiaalkeuze. Hiermee kan de kwaliteit van de hele wijk worden vergroot en het beeld evenwichtiger worden gemaakt. Het hierna vermelde toetsingskader is gebaseerd op die van de genoemde uitwerkingsplannen en bestemmingsplan, voor zover het welstand betreft. Omwille van de eenheid is gekozen voor een overkoepelend welstandsbeleid voor alle fasen in dit aandachtsgebied. Uitgegaan wordt van woningen met een eenvoudige plattegrond en hoofdvorm en een daarvan afgeleide eenvoudige vorm van de kap.

Relatie met de omgeving
  • Alle woningen dienen zowel als bouwvorm als met de nokrichting haaks of evenwijdig ten opzichte van de Onstwedderweg worden gesitueerd.
  • Bijgebouwen mogen uitsluitend aangebouwd aan het hoofdgebouw worden gerealiseerd.
Bouwmassa en vormgeving
  • Sprongen in de plattegrond moeten zo beperkt mogelijk worden toegepast en uitsluitend op een wijze die geen afbreuk doet aan de samenhang van het ontwerp.
  • Gebouwen moeten zijn voorzien van een plat dak of een duidelijke kap.
  • Serres en uitbouwen moeten zo beperkt mogelijk worden toegepast en uitsluitend indien deze qua massa en vormgeving aansluiten op het hoofdgebouw.
  • Ingewikkelde dakvormen en verschillende dakvormen in één woning moeten worden vermeden.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Eventuele dakoverstekken mogen uitsluitend worden toegepast indien geen afbreuk wordt gedaan aan de samenhang van het ontwerp.
  • Een eventuele schoorsteen moet bij voorkeur in de nok worden geplaatst, waarbij deze zoveel mogelijk wordt gebundeld met andere afvoeren.
  • In de afmetingen en de verhoudingen van raam- en deuropeningen moet zoveel mogelijk eenheid worden gehanteerd.
  • In het ontwerp, de materialisering en het kleurgebruik van hoofd- en bijgebouwen moet verwantschap worden bereikt, onder meer door het toepassen van dezelfde dakhelling.
  • Uitgangspunt is een goed afgewogen kleur- en materiaalgebruik. Kleuren moeten aansluiten bij de kleur van het landschap: steenrood, mangaan, okerbruin, lever en donkerder aardkleuren. Dat betekent dat lichte kleuren niet zijn toegestaan, behalve voor kozijnen, boeidelen en goten.
  • Voor de toe te passen materialen geldt dat de verschijningsvorm zo natuurlijk mogelijk moet zijn, zoals baksteen, gebakken pannen, riet, glas en hout.
Parkwijk
Relatie met de omgeving
  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de omliggende bebouwing richtinggevend.
  • Er moet aangesloten worden bij de ritmiek van de belendende bebouwing.
  • Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd.
Bouwmassa en vormgeving
  • Afgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing.
  • Hoofdgebouwen met een duidelijke (schuine) kap gelden als norm.
  • De vorm van de kap moet worden afgestemd op die van de belendende bebouwing.
  • De toegepaste architectuur moet die van de belendende bebouwing respecteren, in geval van vooroorlogse woningbouw geldt daarbij specifieke aandacht voor stijlgebonden kenmerken, echter met behoud van een eigen identiteit.
  • Bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten verwantschap vertonen met het hoofdgebouw ten aanzien van de toegepaste architectuur.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Afgestemd op de belendende bebouwing.
  • Toepassing van overwegend natuurlijke materialen als metselwerk, hout en gebakken pannen is vereist. Andere materialen mogen alleen na overleg en schriftelijke toestemming en moeten in ieder geval afgestemd zijn op de belendende bebouwing.
  • Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt.
3.1.5.3 Bedrijventerreinen
Ligging en begrenzing

Zowel in Stadskanaal als Musselkanaal bevindt zich aan weerszijden van het kanaal een bedrijventerrein. Zodoende worden binnen dit welstandsgebied in geografisch opzicht de volgende vier deelgebieden onderscheiden:

Stadskanaal:
  • 1. Bedrijvenpark Stadskanaal, dat bestaat uit het bedrijventerrein Veenstraat/Vleddermond aan de Veenstraat en de Industriestraat en de uitbreiding daarvan, en dat globaal wordt begrensd door de Dwarsweg, de Gedempte Vleddermond, de kanaalzone met lintbebouwing en de Nautilusweg.
  • 2. Bedrijventerrein Dideldom, dat globaal wordt begrensd door de Oosterkade, de Cereskade, de gemeente- en provinciegrens en de Buinerweg.
Musselkanaal:
  • 3. Bedrijventerrein Open Einde, aan de gelijknamige (dubbele) straat.
  • 4. Bedrijventerrein Nijverheidslaan, aan de gelijknamige laan.
Karakteristiek en historie

De bedrijventerreinen zijn over het algemeen geïsoleerd gelegen ten opzichte van de omliggende woonbebouwing, waarbij de begrenzing wordt gevormd door (hoofd) ontsluitingswegen, waterlopen, groengebieden en het buitengebied. Door de ruime situering van de gebouwen hebben de bedrijventerreinen in Stadskanaal een meer open karakter dan die in Musselkanaal, waar de gebouwen wat dichter op elkaar zijn geplaatst. Het bedrijvenpark Stadskanaal is veruit het grootste in oppervlakte. Dit terrein heeft zich ontwikkeld in het verlengde van de hoofdstructuur van Stadskanaal en aan weerszijden van de haaks hierop georiënteerde Gedempte Vleddermond. Vanaf de Veenstraat in de richting van de kanaalzone heeft een relatief kleinschalige bedrijfsontwikkeling plaatsgevonden, die aansluit op de schaal van de woningen en bedrijven aan de Oosterstraat. Op alle bedrijfsterreinen is sprake van een min of meer rechthoekig stratenpatroon met één of meer hoofdontsluitingswegen.

Karakteristiek voor alle bedrijventerreinen in dit welstandsgebied is de grootschalige, doorgaans vrij in de ruimte gelegen bedrijfsbebouwing. Het gevelbeeld wordt gedomineerd door grote blinde gevelvlakken. Voor het merendeel zijn de gebouwen opgericht in één of twee bouwlagen en hebben ze veelal een uitgestrekte en bij benadering rechthoekige plattegrond. Een strakke en zakelijke vormgeving overheerst, met een eenvoudige en functionele detaillering.

Bij een aantal gebouwen is sprake van een duidelijke horizontale geleding in de gevels, waardoor de grootschaligheid in visueel opzicht enigszins wordt teruggebracht. De bebouwing is doorgaans met platte of licht hellende daken uitgevoerd. De materiaaltoepassing is divers, van metselwerk en beton voor de oudere gebouwen, tot moderne gevelmaterialen zoals glas en geprofileerde staalplaten voor de gebouwen van recentere datum. Bij of aan diverse bedrijfsgebouwen zijn bij het bedrijf behorende woningen gebouwd. Een aantal daarvan vertoont qua hoofdvorm en detaillering een duidelijke verwantschap met het bedrijfsgebouw, maar er zijn ook woningen die door hun traditionele architectuur volledig afwijken van de omliggende omgeving.

Langs enkele zichtlocaties zijn bedrijven gelegen die vanwege de aard van hun bedrijfsvoering een, qua vormgeving en detaillering, duidelijk representatief gedeelte bezitten. De oudere delen van dit welstandsgebied hebben in de loop van de jaren een teruggang in uitstraling beleefd. De inrichting van de openbare ruimte is vooral gericht op het parkeren. Het aanwezige groen vormt een weinig structureel element in het gebied doordat het verspreid ligt over diverse restruimten. Vanwege de voorkomende gebouwtypologie en stedenbouwkundige opzet hebben de bedrijventerreinen een geheel eigen, zakelijk, karakter.

Monumenten komen in dit welstandsgebied niet voor.

Toekomstvisie en beleid

Momenteel is het bedrijvenpark Stadskanaal in ontwikkeling. Op het voormalige agrarische gebied tot aan de Dwarsweg vindt een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Veenstraat/Vleddermond plaats. De stedenbouwkundige opzet heeft tot doel om het bestaande bedrijventerrein en de uitbreiding tot één samenhangend gebied om te vormen. Door revitalisering van het oude deel zal ook tot samenhang in de uitstraling worden gekomen. Het verbeteren van de terreininrichting, met daarbij aandacht voor de berm- en groenstructuur, maakt daar een belangrijk deel van uit. De gebouwen zullen in schaal en representativiteit moeten aansluiten op de omliggende omgeving. In dit bedrijvenpark zijn twee zones onderscheiden waarvoor specifieke eisen gelden ten aanzien van de beeldkwaliteit, namelijk de Parkrand (langs de Nautilusweg) en de centrale as (centrale ontsluitingsweg).

De Parkrand/Nautilusweg vormt een belangrijke zichtlocatie. Bedrijfsgebouwen moeten hier vrij in het groen zijn gelegen om de transparantie van deze zone te waarborgen. Groen- en waterpartijen moeten in het ontwerp worden geïntegreerd. Een heldere hoofdvorm is gewenst met een evenwichtige materiaal- en kleurkeuze, die representatief is voor de aard van het bedrijf. Het totaalbeeld moet tevens in overeenstemming zijn met de tegenoverliggende woonwijken De Borgen en de Vogelwijk. Natuurlijke materialen zoals hout en baksteen zijn toepasbaar, evenals materialen met een moderne uitstraling zoals beton, glas en metaal. Met de toepassing van lichtreclame zal terughoudend moeten worden omgegaan vanwege de tegenoverliggende woonwijken. Buitenopslag en parkeren dient tot achter de rooilijn te worden beperkt. Het is de bedoeling dat ook een parkeerverbod voor vrachtwagens wordt ingesteld. Vanwege de bijzondere eisen die gesteld worden aan de beeldkwaliteit langs de Parkrand/Nautilusweg moeten de ontwerpen bijzondere kwaliteiten bezitten.

Bij de centrale as is de situering van de hoofdmassa van belang om zodoende een structurerende lijn te vormen in het gebied. In vergelijking met de Parkrand worden hier minder hoge eisen gesteld aan de beeldkwaliteit.

Voor alle bedrijventerreinen geldt dat hun functie en de daarmee samenhangende visuele kenmerken eenduidig herkenbaar moeten blijven. Daarom is voor dit gehele welstandsgebied een gebouwtypologie gewenst die hierop aansluit.

Aan de overgang van de randen van de bedrijventerreinen naar de omliggende (woon)omgeving moet de nodige zorg worden besteed, naar het voorbeeld van de Parkrand van het bedrijvenpark Stadskanaal. In dergelijke zones moet worden gestreefd naar een kwaliteitsniveau van bebouwing en groen dat past bij de aangrenzende woonwijken.

In een aantal gevallen bestaat de behoefte aan de koppeling van wonen en werken. Om hieraan tegemoet te komen bestaat er op het nieuwe bedrijvenpark Stadskanaal onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid voor woonruimte naast een bedrijfspand. Dit stimuleert startende ondernemingen, die de bedrijfsvoering veelal vanuit huis verrichten, zich op het bedrijventerrein te vestigen. Overlast van bedrijvigheid in de woonomgeving wordt hierdoor voorkomen. Dit past ook in het beleid om bedrijven vanuit de woongebieden te verplaatsen naar de bedrijventerreinen, zoals in het bijzonder geldt voor bedrijven in de kanaalzone. Voor bedrijfswoningen is een hoofdvorm met een evenwichtige materiaal- en kleurkeuze gewenst, die verwant is aan die van het bedrijfsgebouw.

Op de bedrijventerreinen Open Einde en Nijverheidslaan in Musselkanaal bestaat momenteel geen mogelijkheid tot uitbreiding. In een gezamenlijke ontwikkeling van de gemeenten Stadskanaal en Vlagtwedde is het nabijgelegen bovenregionale Bedrijvenpark Zuid-Groningen (BZG) tot stand gekomen. De ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein in Musselkanaal is daarom niet aan de orde. De revitalisering van de oudste bedrijventerreinen, Veenstraat/Vleddermond en Dideldom, is in 2006 afgerond.

Welstandsniveau

Dit welstandsgebied kenmerkt zich door een beeldkwaliteit die voornamelijk gerelateerd is aan de functie van het gebied en, behoudens de voor sommige delen gewenste kwaliteitsimpuls, geen bijzondere versterking behoeft. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dan ook gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied het reguliere welstandsniveau gekozen. Vanwege de bijzondere eisen die gesteld worden aan de beeldkwaliteit langs de Parkrand/Nautilusweg moeten de ontwerpen bijzondere kwaliteiten bezitten.

Gebiedsgerichte welstandscriteria
Relatie met de omgeving
  • Bedrijfsgebouwen moeten in schaal en representativiteit aansluiten op de omliggende omgeving.
  • Bedrijfsgebouwen moeten met hun representatieve zijde zijn georiënteerd op de straat c.q. het breedste wegprofiel.
  • Bedrijfsgebouwen langs de Parkrand/Nautilusweg dienen geheel vrij in het groen te zijn gelegen.
  • Bedrijfsgebouwen langs de Parkrand/Nautilusweg dienen zowel op de Nautilusweg te zijn georiënteerd als op de parallelweg aan de andere zijde van het terrein.
  • (Licht)reclame is alleen op eigen terrein toegestaan en zal terughoudend moeten worden toegepast.
  • De (licht)reclame op de bedrijfsgebouwen langs de Parkrand/Nautilusweg moet mede afgestemd zijn op de aanwezigheid van de woonbuurt aan de overzijde van de Nautilusweg.
Bouwmassa en vormgeving
  • Een heldere hoofdvorm is gewenst, die past bij het zakelijke karakter van het gebied.
  • Permanente gebouwen en bouwwerken met de uiterlijke kenmerken van een romney loods of zeecontainer zijn niet toegestaan.
  • Bedrijfswoningen en/of kantoren en dergelijke moeten, qua vormgeving, worden gerelateerd aan het bedrijfsgebouw c.q. hoofdgebouw en in ieder geval een utilitaire uitstraling hebben.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Detaillering moet op een eenvoudige en zorgvuldige wijze worden uitgevoerd.
  • Een evenwichtige materiaal- en kleurkeuze, die representatief is voor de aard van het bedrijf, is gewenst.
  • Voor bedrijfsgebouwen langs de Parkrand/Nautilusweg geldt een evenwichtige kleur- en materiaalkeuze, die aansluit bij de tegenoverliggende woonwijk.
  • In principe zijn alle materialen mogelijk die passen bij de functie van het gebouw.
  • Bedrijfswoningen en/of kantoren e.d. moeten qua detaillering en materiaalgebruik afgeleid zijn van het bedrijfsgebouw of hoofdgebouw.
3.1.5.4 Alteveer - Onstwedde - Mussel
Ligging en begrenzing

De kleine kernen Alteveer, Onstwedde en Mussel vallen binnen dit welstandsgebied. De begrenzing van dit welstandsgebied valt samen met de begrenzing van de voormalige bestemmingsplannen voor de genoemde kernen. Inmiddels is voor de genoemde kernen in 2006 één bestemmingsplan vastgesteld.

Karakteristiek en historie
Algemeen

Binnen de gemeente Stadskanaal komen verschillende woonmilieus voor met een eigen identiteit en kwaliteit. Dit welstandsgebied kenmerkt zich vooral door het thema “dorps wonen”. De drie kleine kernen in dit welstandsgebied hebben elk hun eigen historie en verschijningsvorm.

Alteveer is evenals Onstwedde gelegen op de overgang van de veenkoloniën naar het hoger gelegen Westerwoldse landschap. De plaats heeft een duidelijk agrarisch karakter. Qua ruimtelijke opzet zijn twee haaks op elkaar gelegen hoofdwegen te onderscheiden, waarlangs zich de bebouwing heeft ontwikkeld. Hierdoor is vooral langs de Beumeesweg lintbebouwing ontstaan, die uit voornamelijk vooroorlogse, particuliere woningen bestaat. In het gebied tussen de hoofdwegen is een meer geconcentreerde bebouwing ontstaan; de centrumkern van Alteveer. De lintbebouwing kenmerkt zich door lage, individuele woningen, terwijl de centrumkern wordt gekenmerkt door relatief hoge, aaneengesloten bebouwing. Langs het lint zijn overwegend woningen met dwarskappen gebouwd.

Onstwedde is de grootste van de drie kleine kernen en is van oorsprong een esdorp, gelegen tussen de Onstwedderholte en de dekzandruggen of essen aan de zuidkant van het dorp. Het dorp markeert de overgang van het veenkoloniale landschap naar het Westerwoldse landschap. Aan de oostelijke dorpsrand is de ecologische hoofdstructuur gelegen. Vanwege de ten opzichte van de omgeving gunstige ligging van het gebied rondom de Boslaan en Dorpsstraat is daar van oudsher bebouwing ontstaan. De historische kern is gelegen nabij het kruispunt Dorpsstraat, Havenstraat en Boslaan, ter plaatse van de Brink. Op de oorspronkelijk aanwezige tweede Brink in het noorden is later enige bebouwing gerealiseerd. In de agrarische bebouwing aan de zuidrand van Onstwedde is de oude stedenbouwkundige structuur nog herkenbaar. In de loop van de jaren heeft vanuit de historische kern een verdichting van gebouwen plaatsgevonden, waarbij veel boerderijen zijn vervangen door woningbouw. Voortvloeiend uit het gebruik van het terrein is een onregelmatig en webachtig stratenpatroon gegroeid, waartussen de bebouwing werd geplaatst.

In de bebouwing van Onstwedde, met het bijbehorende dorps- of straatbeeld, is een aantal typen te onderscheiden. Naast bebouwing met een open en individueel karakter komen ook rijtjeswoningen voor. Aan de noordelijke hoofdontsluitingsweg is sprake van lintbebouwing. Het straatbeeld kent verspringende voorgevels maar ook bebouwing met nagenoeg geen wisseling in de voorgevelrooilijn. De kleinere woonhuizen zijn opgetrokken in een sobere, streekeigen ambachtelijke stijl, terwijl de grotere woonhuizen een relatief rijkere architectuur kennen. Ondanks deze verschillen wordt het algemene beeld toch bepaald door de uiterlijke overeenkomsten in situering, detaillering en materiaalgebruik. De overwegend kleinschalige en sober uitgevoerde woningen hebben veelal een duidelijke kapvorm met, naast enige differentiatie, overwegend dwarskappen. Opvallend is een aantal zeer moderne panden, die contrasteren met de omliggende bebouwing. Enkele zeer grote bomen en groene ruimten fungeren als waardevolle elementen in het straatbeeld.

De nederzetting Mussel is ontstaan op de rand van het hoogveen en het beekdal van de Mussel-A. Langs de hoofdwegen, de Zandtangerweg en de Musselweg, is eerst lintbebouwing ontstaan, waarna verdichting tot een kern heeft plaatsgevonden. Van oorsprong had het dorp een overwegend agrarische functie, maar deze is in de loop van de tijd grotendeels verdwenen. Het overgrote deel van de bebouwing bestaat uit vrijstaande of halfvrijstaande woningen, die haaks op de straat zijn gelegen en zijn uitgevoerd met een dwarskap en een lage gootlijn. Afwijkingen van dit thema komen slechts plaatselijk voor. Er is dan ook sprake van een grote eenvormigheid in de bebouwing.

Aandachtsgebied

Vanuit welstandsoptiek moet binnen dit welstandsgebied het kerkgebied van Onstwedde als aandachtsgebied worden benoemd. Dit aandachtsgebied heeft een dusdanig eigen karakteristiek dat een aparte behandeling ervan is gerechtvaardigd.

Onstwedde, kerkgebied

Het kerkgebied omvat het historische centrum van Onstwedde en wordt aangeduid als archeologisch waardevol. Globaal gezien vormt de lijn Wiltingelaan/Havenstraat de afscheiding met de rest van het dorp. In de richting van het buitengebied aan de zuidzijde wordt dit deel begrensd door de grens van het bestemmingsplan Onstwedde. Oude boerderijen en woonhuizen geven dit gebied haar specifieke karakter; hier kan voorzichtig worden gesproken over bebouwing met een zekere ensemblewaarde. De Juffertoren is als centraal herkenningspunt karakteristiek voor de uitstraling van dit gebied. Het nabij gelegen zalencentrum “d’Ekkelkaamp”, met fietsenstalling en parkeerterrein, contrasteert qua verschijningsvorm volledig met de omliggende historische structuur. Aan de noordzijde van het kerkgebied is een monumentale boerderij gelegen, die van wezenlijke betekenis is voor de beleving van het gebied. Specifiek voor de zuidzijde is het open karakter met ruime doorzichten naar het buitengebied. De aanwezige waardevolle bomen vervullen een structuur ondersteunende functie.

In het historische centrum komt een aantal monumenten voor. Voor een volledige opsomming van monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 van deze nota.

Toekomstvisie en beleid
Algemeen

De identiteit van de dorpen moet in een onderlinge samenhang worden beschouwd en niet als een louter op zichzelf staand gegeven. In de dorpen Alteveer, Onstwedde en Mussel worden woningen gebouwd en wordt ook de woonomgeving geherstructureerd. De ruimtelijke kenmerken van de kernen worden versterkt om elke kern zijn eigen specifieke karakter mee te geven. De opbouw van de kernen moet een logische samenhang hebben met een herkenbare hoofdstructuur, een gerichtheid op het centrum en gevarieerde milieus. Het verbeteren van de overgang naar het landelijke gebied is ook hier noodzakelijk. Dit beleid is neergelegd in het Structuurplan 1998 en wordt uitgewerkt in het dorpsontwikkelingsplan Onstwedde, Alteveer en Mussel, waaraan op dit moment wordt gewerkt. Ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van de kwaliteit van de kernen, zoals de kenmerkende schaal, maat en verschijningsvorm (de karakterbepalende grootheden), moeten worden vermeden. Hierbij geldt aandacht voor bedrijven en voorzieningen die geen bestaansrecht meer hebben of juist onderhevig zijn aan expansie.

Het Structuurplan 1998 maakt ten aanzien van de bebouwing een keuze voor kleinschalige woonlocaties met een hoge kwaliteit, in de overgangszone van de bebouwde dorpskern naar het buitengebied. In dit kader kan de uitbreidingslocatie De Blauwe Kamer worden genoemd. Het door de gemeente Stadskanaal gevoerde beleid met betrekking tot de lintbebouwing langs de Beumeesweg heeft geleid tot een dusdanige verdichting van het lint dat er nauwelijks meer open ruimtes zijn.

Voor een deel van Onstwedde is in 2001 een beeldkwaliteitplan opgesteld dat is gekoppeld aan de in artikel 9.1 van de gemeentelijke bouwverordening genoemde algemene welstandscriteria. Het betreft vooral de oude lineaire wegenstructuur met aanliggende bebouwing inclusief het historische centrum. Onstwedde heeft in historisch opzicht voldoende eigen identiteit. Het ruimtelijke beleid is gericht op het handhaven en zonodig versterken van de gewaardeerde oude elementen. Hieronder vallen vooral de oude wegenstructuur met aanliggende bebouwing, de open gebieden zoals de Brink en het transparante groene karakter van het gebied met doorzichten tussen de bebouwing. Als beleidsuitgangspunten voor nieuwbouw gelden dat gebouwen vrijstaand of beperkt geschakeld dienen te zijn, bebouwing aan de lintweg is uitgevoerd met een dwarskap en de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing aan de landwegen richtinggevend is. Als doelstelling voor de bebouwing geldt de versterking van de architectonische kwaliteit. Gebouwen moeten qua schaal en ontwerp aansluiten op de omliggende historische structuur en verwantschap vertonen met het ritme en de materialisering van de aansluitende bebouwing. Algemeen geldt dat het oorspronkelijke, landelijke en dorpse karakter met de daarbij behorende kleinschaligheid moet worden behouden, met extra aandacht voor historisch bijzondere locaties zoals het historische centrum of kerkgebied. Ten aanzien van de aanwezige groenstructuur wordt gestreefd naar versterking door middel van een aantal ingrepen, waaronder het herstel van de historische brinken, het verbinden van open groene ruimtes en de aanleg van groen in nieuwbouwgebieden.

In 2001 is met het dorpsontwikkelingsplan OAM (Onstwedde, Alteveer, Mussel) de basis vastgelegd voor de dorpsontwikkeling. In dit kader zijn op meerdere locaties in de drie dorpen geleidelijke sloopactiviteiten en nieuwbouw voorzien en plaatselijk al gerealiseerd.

Voor Mussel is recentelijk een Leefbaarheidsplan opgesteld. Daarin wordt geconstateerd dat voor de komende jaren slechts een geringe groei van het aantal woningen valt te verwachten. Opgemerkt wordt dat, als tegenwicht voor de lintbebouwing, centrumvorming is gewenst en dat de woonomgeving op een aantal punten kan worden verbeterd. Nieuwbouw zal qua vormgeving moeten passen bij de bestaande bebouwing. Voorts is het beleid gericht op het verder vergroenen van de dorpsranden.

Onstwedde, kerkgebied

Het beleid is mede gericht op een opwaardering van de directe omgeving van de Juffertoren. Voor het overige geldt het specifiek voor dit gebied geldende beleid, zoals hiervoor bij het beleid voor de kern Onstwedde is geformuleerd.

Welstandsniveau

De drie kleine kernen in dit welstandsgebied hebben elk een eigen ruimtelijke kwaliteit die in stand gehouden dient te worden. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dan ook gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied, behoudens het kerkgebied, het reguliere welstandsniveau gekozen.

Het gebied rond de kerk heeft een volkomen eigen, gewaardeerde beeldkwaliteit, die gerelateerd is aan de ontstaansgeschiedenis van Onstwedde. Het hieruit voortvloeiende ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dat deze een bijdrage levert aan de versterking van de beeldkwaliteit van het kerkgebied. Daarom, en ook vanwege het hiervoor vermelde beleid van de gemeente, is voor dit aandachtsgebied het bijzondere welstandsniveau gekozen.

Gebiedsgerichte welstandscriteria
Algemeen
Relatie met de omgeving
  • Vrijstaande of beperkt geschakelde gebouwen gelden als uitgangspunt.
  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend.
  • Gebouwen met een dwarskap gelden als norm, met dien verstande dat voor lintbebouwing een dwarskap verplicht is en voor gebouwen buiten de linten enige differentiatie is toegestaan, mits dit in harmonie is met de omliggende omgeving.
  • Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd.
Bouwmassa en vormgeving
  • Afgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing.
  • Nieuwbouw zal, qua vormgeving, moeten passen bij de bestaande bebouwing, waarbij enkelvoudige bouwmassa´s met een zadeldak gelden als norm.
  • Bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten ten aanzien van de toegepaste architectuur verwantschap vertonen met het hoofdgebouw.
  • Dakopbouwen en nokverhogingen moeten worden uitgevoerd met een aan het hoofdgebouw identieke dakhelling.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Een sobere en ambachtelijke bouwstijl geldt als uitgangspunt, waarbij een eenvoudige maar zorgvuldige detaillering is vereist.
  • Het gebruik van streekgebonden materialen zoals roodachtige baksteen voor gevels geldt als norm.
  • Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt.
Onstwedde, kerkgebied
Relatie met de omgeving
  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend.
  • Gebouwen moeten een duidelijk representatieve zijde bezitten, met een nadrukkelijke gerichtheid op zichtlocaties.
  • De aanwezige doorzichten tussen de individuele gebouwen moeten worden gehandhaafd.
  • De openheid en het transparante groene karakter van het gebied moet worden behouden.
Bouwmassa en vormgeving
  • Gebouwen moeten qua schaal en ontwerp aansluiten op de omliggende historische structuur en bebouwing.
  • Gebouwen moeten verwantschap vertonen met de architectonische verschijningsvorm van de omliggende bebouwing, met daarbij specifieke aandacht voor het gevelbeeld en de kapvorm.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Afgestemd op de historische bebouwing, waarbij een zorgvuldige en rijke detaillering conform de omliggende bebouwing is vereist.
  • De materiaaltoepassing moet verwantschap vertonen met de materialisering van de omliggende bebouwing, waarbij het gebruik van overwegend natuurlijke materialen als metselwerk, hout en gebakken pannen is vereist.
  • Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt.
3.1.5.5 Buitengebied
Ligging en begrenzing

Dit welstandsgebied omvat het gehele buitengebied van de gemeente Stadskanaal. De begrenzing van dit gebied valt dan ook samen met de gemeentegrenzen en de grenzen van alle overige welstandsgebieden binnen de gemeente Stadskanaal.

Karakteristiek en historie
Algemeen

Ruimtelijk gezien kenmerkt de gemeente Stadskanaal zich door een groot buitengebied, met daarin een aantal kernen. De grote en kleine kernen zijn eerder benoemd als aparte welstandsgebieden. Het buitengebied omvat als welstandsgebied de daarin verspreid gelegen buurtschappen zoals Oomsberg, Vledderveen, Holte, Kopstukken en Smeerling. In dit gebied zijn hoofdzakelijk twee landschapstypen te onderscheiden: het veenkoloniale deel, dat veruit het grootste oppervlak beslaat, en het hoger gelegen esdorpenlandschap (Westerwolde) aan de noordkant van de gemeente, waarbinnen zich ook de ecologische hoofdstructuur (EHS) bevindt. De streek Westerwolde omvat een langgerekt plateau van zandgronden. De begrenzing tussen beide gebieden wordt in grote lijnen gevormd door het stijgpunt ter hoogte van de kern Onstwedde. Karakteristiek zijn de verschillen in beslotenheid en hoogteverschillen; de veenkoloniën kenmerken zich door hun grootschalige openheid, terwijl het hoger gelegen Westerwoldse deel een meer besloten karakter heeft vanwege het aanwezige reliëf en de begroeiing. De voorkomende beken zoals de Mussel-A en de Ruiten Aa vormen door hun natuurlijke, slingerende beloop een contrast met het strak geordende veenontginningslandschap.

Het veenkoloniale deel bestaat uit een voormalig hoogveencomplex, dat vanaf de 17e eeuw op systematische wijze is ontgonnen. Tijdens de ontginningsperiode is hier een uitgebreid watersysteem met lange, rechte vaarten aangelegd, bedoeld voor de afvoer van het veen. Aansluitend op het Stadskanaal zijn de zogenoemde monden gegraven en weer aansluitend daarop de zogenoemde wijken. Ter plaatse van de onderlinge aansluiting van deze brede afvoersloten zijn de boerderijen gebouwd. De verkavelingsrichting met bebouwing staat veelal onder een hoek met de ontsluitingswegen en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het landschapsbeeld. De aldus ontstane structuur en beeldkwaliteit zijn zeer kenmerkend voor de veenkoloniën. Het gebied is na de vervening in gebruik geraakt als landbouwgebied.

De landstreek Westerwolde met de EHS heeft een licht glooiend karakter en maakt daardoor een wat natuurlijker en zachtere indruk dan het veenontginningslandschap. Er is sprake van een kleinschalig hoevenlandschap met clusters van boerderijen en landarbeiderswoningen. Het gebied Smeerling-Metbroek kan, landschappelijk gezien, worden beschouwd als één van de meest markante gebieden van deze streek. Het beekdal Ruiten Aa, waarvan Smeerling deel uitmaakt, wordt geflankeerd door smalle zandruggen waarop later een kleinschalig esdorpenlandschap is ontstaan, dat overgaat in het omliggende heide- en veenontginningslandschap. Met de herinrichting van de, in het kader van de ruilverkaveling deels gekanaliseerde Ruiten Aa, is in de jaren 90 een begin gemaakt. Op sommige plekken is de natuurlijke bedding alweer uitgegraven.

De bebouwing heeft vooral in het veenkoloniale deel het karakter van een transparante lintbebouwing langs ontsluitingswegen. Hierdoor zijn ruime doorkijken met lange zichtlijnen in het landschap mogelijk. De gebouwen zijn met hun lengterichting overwegend in de richting van de verkavelingstructuur georiënteerd, daarmee de karakteristiek van het gebied respecterend.

Een belangrijk kenmerk van dit landschap is de betrekkelijk neutrale kleurtoon van de (agrarische) bebouwing, waarbij de boerderijen traditioneel zijn uitgevoerd in rode baksteen en oranjerode dakpannen. De boerderijen met woonhuizen zijn doorgaans gebouwd met één bouwlaag en een dwarskap. Veelal is sprake van een wolfseind in het dakvlak achter, een inspringend deel ter plaatse van de voorgevel en daardoor ongelijke goothoogten. Vanwege het inspringende deel is de benaming “krimpenhuis” ontstaan. Over het algemeen is sprake van sobere, maar zorgvuldig gedetailleerde gebouwen. Het gevelbeeld wordt gekenmerkt door verticaal gerichte kozijnen in een enkelvoudige of samengestelde uitvoering. Een uitgebreide beschrijving van gebouwtypologieën, “Dorpsbebouwing in Groningen” (1993) is ontwikkeld door de Stichting Provinciale Groningse Welstandszorg en is bedoeld als bijlage voor de beeldkwaliteitplannen van verschillende dorpen in de provincie.

Aandachtsgebied

Vanuit welstandsoptiek moet binnen dit welstandsgebied het beschermde dorpsgezicht Smeerling als aandachtsgebied worden benoemd. Vanwege de status van beschermd dorpsgezicht is een aparte behandeling noodzakelijk.

Smeerling

De buurtschap Smeerling is een cultuurhistorisch belangrijke nederzetting, gelegen aan de westzijde van de landstreek Westerwolde en bestaat uit een achttal boerderijen in de vorm van een hoevenzwerm. De bijzondere ligging van Smeerling wordt geaccentueerd door de aanwezigheid van zowel de EHS als het Ruiten Aa dal, met een reeks van hoevenzwermen. De voor dit type nederzetting kenmerkende situering van de verschillende boerderijen is in Smeerling vrijwel ongewijzigd gebleven. Daarbij gaat het om een willekeurig aandoende, op basis van de aard van het boerenbedrijf ontstane situering. Vanwege de in het verleden noodzakelijke onderlinge ondersteuning van de bewoners zijn de boerderijen relatief dicht op elkaar gelegen. De verkaveling van de omliggende esgronden is grotendeels nog gelijk aan die uit het begin van de 19de eeuw. Om deze hoevenzwerm en het omliggende landschap te beschermen is Smeerling, bij besluit van 11 september 1972, door de toenmalige minister van CRM aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Vijf van de boerderijen zijn rijksmonumenten, de overige drie hebben een zodanig traditionele vorm dat zij volkomen bij de beschermde objecten aansluiten. Het merendeel van de boerderijen is inmiddels gerestaureerd.

De paden die de boerenerven begrenzen zijn veelal onverhard of halfverhard en dragen door hun slingerend verloop bij aan het karakter van dit type nederzetting. De boerenerven worden omzoomd door massale beplanting in de vorm van hoge eikenbomen, die de locatie van de gebouwen sterk accentueren. Naast de gebouwen met erfbeplanting en gegroepeerde beplantingen zijn ook de open ruimten en doorzichten structuurbepalend. De boerderijen hebben een forse breedtemaat, zijn uitgevoerd in rode baksteen en voorzien van lage daken, afgedekt met oud-Hollandse pannen in een rode kleur.

Ofschoon de gebouwen uit verschillende perioden stammen, hebben zij toch een aantal gemeenschappelijke kenmerken:

  • De nokrichting is meestal loodrecht op de weg.
  • De entree van het woonhuis bevindt zich aan de voor- of achterzijde.
  • De dakhelling van het schuurgedeelte is tussen de 30° en 35°, met een lage gootlijn.
  • De dakhelling van het woonhuisgedeelte is wat steiler, terwijl de goot hoger, tot anderhalve verdiepingshoogte, is opgetrokken.
  • De topgevels van het woonhuisgedeelte zijn aan de bovenzijde afgesloten door een windveer, de achterzijde van de boerderij meestal door een dakschild.
  • Er is sprake van forse hoofdmassa’s zonder veel detaillering.
  • Het materiaalgebruik is rode baksteen, van Groninger klei, gedeeltelijk stucwerk en rode oud-Hollandse pannen.
  • Er is sprake van verticale raamverhoudingen.
Barkelazathe

Dit gebied betreft een bos- en landgoedplan in het vloeiveldengebied in Stadskanaal, nabij Waterland. De gemeente heeft voor de ontwikkeling van landhuizen in dit gebied gebruik gemaakt van de in de welstandsnota gegeven mogelijkheid om bij afwijkende bouwplannen van uitzonderlijke kwaliteit gemotiveerd af te wijken van de gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. De bestaande welstandscriteria voor dit gebied zijn gericht op woningen en boerderijen in het buitengebied, en zouden de realisatie van landhuizen niet toestaan.

Toekomstvisie en beleid
Algemeen

Voor het buitengebied zijn natuurontwikkelingen, het stimuleren van recreatie en nieuwe ontwikkelingen in de landbouw belangrijke doelen. Het thema “De Groene Stad” (tot 2050) is, in samenhang met “De excellente woongemeente”, ook voor het buitengebied tot beleidslijn gekozen, als richtsnoer voor het ontwikkelen van de groenstructuur. De aan te leggen bossen met recreatieve voorzieningen zullen een landschappelijke schakel vormen tussen de Hondsrug en Westerwolde. In de uitvoering van regionale plannen kunnen worden genoemd “Waterkompas”, “Actieplan veenkoloniën” en “Plattelandsbeleid Westerwolde”. De esgebieden in de omgeving van Onstwedde en de veenkoloniale wijken zijn in het bestemmingsplan Herziening Buitengebied 1998 aangeduid als “waardevol open” en hebben daarmee een planologische bescherming gekregen. De in het gebied gelegen beekdalen moeten worden gehandhaafd en zonodig geaccentueerd, zoals voor het beekdal van de Ruiten Aa al (deels) is gebeurd.

De grootschaligheid van het veenkoloniale landschap als belangrijke ruimtelijke kwaliteit moet in stand worden gehouden. Het beleid blijft gericht op handhaving van de (nog) kenmerkende en unieke mate van openheid in dit gebied, zoals onder andere het gebied tussen Vledderveen en Mussel. In het Provinciaal Omgevingsplan (POP) wordt ingegaan op de veranderende functie van de landbouw. De landbouw zal een rol krijgen in het kader van natuur- en landschapsbeheer en moet hiervoor de ruimte krijgen. De landschappelijke kenmerken gelden in ieder geval als vertrekpunt voor verdere ontwikkelingen.

Als te beschermen waarde geldt ook het reliëf en de vegetatie met erfbeplanting van de streek Westerwolde. De genoemde elementen dragen in belangrijke mate bij aan de beeldkwaliteit van deze streek. Het Structuurplan 1998 noemt als uitgangspunt voor de door dit gebied lopende EHS het creëren van verbindingszones met de Hondsrug, de Blauwe stad en Duitsland. De gemeente wil daarbij de belevingswaarde van de natuurgebieden vergroten.

In het Structuurplan 1998 wordt geconstateerd dat het wonen in het buitengebied aan populariteit wint. Eventuele woningbouw zal in stedenbouwkundig opzicht moeten aansluiten bij het karakter en de cultuurhistorische structuur van het buitengebied. Het volume en de vormgeving van nieuwe woningen moet een uitstraling bezitten die past bij het gebied. Door omzetting van agrarische functies in woonfuncties kan het wonen in het buitengebied worden gefaciliteerd. Leegstaande boerderijen kunnen dan, met een gewijzigde functie, worden behouden. In het buitengebied betekent immers het vervangen van een boerderij door nieuwe woningen een zodanig ingrijpende maatregel, dat daarmee het oorspronkelijke karakter van het gebied dreigt te worden aangetast. Het gebruik van bestaande gebouwen voor bewoning mag in geen geval nadelige effecten opleveren voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Het sterke contrast tussen de bebouwing en het open landschap met daarbij behorende zichtruimten dreigen te verdwijnen wanneer open gaten in de lintbebouwing worden volgebouwd. Toevoeging van nieuwbouw die voor wat betreft ordening en detaillering geen respect toont voor de bestaande omgeving, is funest op plekken waar oude hoofdstructuurbepalende wegen met authentieke bebouwing de sfeer bepalen. Een zorgvuldig op de locatie toegesneden ordening en invulling is vereist. Bijvoorbeeld gebouwen die met hun lengterichting dwars op de verkavelingstructuur zijn georiënteerd doorbreken hiermee de karakteristieke structuur van het gebied en zijn dan ook niet toegestaan.

Bij nieuw- of verbouw moet de streekgebonden architectuur worden gerespecteerd. Nieuwe bebouwing hoort een in het landschap onopvallende kleur te hebben, i.c. dienen lichte en heldere kleuren te worden vermeden. Gebouwen moeten als het ware opgaan in het landschap. Het streven is daarom gericht op het gebruik van aardkleuren die gedekt van toon zijn.

Naarmate nieuwe schuren dichter tegen een bestaande, traditionele schuur worden geplaatst, is een geleding in de gevel wenselijk om aan te sluiten op de maat en schaal van de bestaande schuur. Romney loodsen en zeecontainers vormen vanwege hun totaal afwijkende verschijningsvorm een dissonant in het gebied en dienen daarom te worden geweerd.

Smeerling

Specifiek voor Smeerling geldt een aantal gewaardeerde kwaliteiten. De combinatie van een landschappelijk aantrekkelijk natuurgebied met een aantal historische boerderijen, de rust, de verkeersluwte en de gedoseerde bedrijvigheid maken Smeerling tot een aantrekkelijk geheel. Er moet echter ook worden geconstateerd dat de oorspronkelijke landschappelijke samenhang tussen het stroomgebied van de Ruiten Aa en het ontstaan en de ontwikkeling van de hoevenzwermen voor een groot deel is verdwenen. Daarnaast maakt de nabijgelegen provinciale weg door haar ligging inbreuk op de oorspronkelijke, karakteristieke kransstructuur van de hoevenzwerm. De bewoners hebben in samenwerking met Landschapsbeheer Groningen de oorspronkelijke beplanting teruggebracht.

In opdracht van de gemeente Stadskanaal en de Vereniging Natuurmonumenten is in 2002 een visie ontwikkeld op de landschappelijke inbedding van Smeerling, de openbare ruimte en de privé terreinen van de hoevenzwerm. Om het oorspronkelijke karakter van de nederzetting te versterken is in deze visie een aantal ruimtelijke ingrepen geformuleerd. Daarbij wordt gedacht aan de versterking van de landschapsstructuur en maatregelen aan de provinciale weg, zoals versmalling of verlegging en de toepassing van straatklinkers. Dit laatste is inmiddels uitgevoerd. De onverharde en halfverharde paden moeten zoveel mogelijk worden gehandhaafd

Door de functieverandering van de boerderijen en bijbehorende landerijen is het beeld van de privé-terreinen in de loop van de jaren sterk gewijzigd. De oorspronkelijke landbouwbestemming heeft plaats gemaakt voor woon- culturele en recreatieve functies. Hierdoor is enige terughoudendheid op zijn plaats in het herstellen van het authentieke beeld van Smeerling tot op het niveau van de privé-terreinen. Wel moet, door middel van een eenduidige en eenvoudige beeldkwaliteit, worden gestreefd naar meer samenhang tussen de kavels en de openbare ruimte. Zo moet de verscheidenheid aan materialen ter plaatse van de inritten worden teruggebracht door middel van consequent en eenvoudig materiaalgebruik, waarbij de eerste drie meter vanaf de openbare weg kan worden meegenomen in de inrichting van de openbare ruimte. Ook ten aanzien van de beeldbepalende hagen zal samen met de bewoners een keuze worden gemaakt. Een zeer strak regime voor de inrichting van de kavels lijkt overigens niet nodig.

Vervangende nieuwbouw zoals na calamiteiten en verbouwingen en wijzigingen moeten onderworpen zijn aan strikte voorwaarden. In het bestemmingsplan Smeerling 1993 is beleid in hoofdlijnen opgenomen ten aanzien van de verschijningsvorm van de nederzetting. Dit bestemmingsplan wordt opgenomen in het bestemmingsplan landelijk Gebied (eind 2007). Er wordt gestreefd naar handhaving van de herkenbaarheid van het oorspronkelijke nederzettingspatroon. Dit houdt in dat:

  • - de samenhang van de bebouwing dient te worden behouden;
  • - de huidige verschijningsvorm en de kenmerkende, willekeurig aandoende groepsgewijze situering van het achttal gebouwen zoveel mogelijk ongewijzigd dient te blijven;
  • - er geen onevenredige aantasting van bepalende karakteristieke elementen zoals hoofdvorm en dakbedekking mag plaatsvinden als gevolg van verbouw of andere wijzigingen;
  • - nieuwbouw van (bij)gebouwen in principe niet is toegestaan, om onevenredige aantasting van het karakter van de nederzetting te voorkomen;
  • - de karakteristieke openheid van het gebied moet worden gehandhaafd; en
  • - de lijnvormige, structuurbepalende beplanting dient te worden behouden.

Het toestaan van nieuwe vrijstaande bijgebouwen (van beperkte afmetingen) is niet wenselijk, omdat deze afbreuk doen aan de herkenbaarheid van het oorspronkelijke Westerwoldse nederzettingspatroon. Het zeer kleinschalige karakter leent zich hier immers niet voor. Silo’s en windmolens tenslotte zijn niet toegestaan.

Barkelazathe

De ontwikkeling van landgoederen moet mogelijk zijn om de visuele diversiteit en aantrekkingskracht van het gemeentelijke grondgebied te versterken. Al in 1999/2000 had de gemeente het voornemen om in dit gebied bijzondere landhuizen te realiseren. Om een bijzondere en hoogwaardige (beeld)kwaliteit tot stand te brengen moet de ontwikkeling van Barkelazathe zo weinig mogelijk beperkingen worden opgelegd. Met het oog op de grote eilanden en landhuizen is het wenselijk de planologische mogelijkheid te benutten om grotere bijgebouwen te plaatsen dan het vigerende bestemmingsplan toestaat.

Welstandsniveau

De eigen ruimtelijke kwaliteit van dit welstandsgebied moet in stand worden gehouden. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dan ook gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied het reguliere welstandsniveau gekozen, echter met uitzondering van de buurtschap Smeerling.

Zoals eerder opgemerkt geldt voor Smeerling de status van beschermd dorpsgezicht. Het welstandstoezicht moet dan ook een bijdrage leveren aan de gewenste bescherming door middel van de apart voor Smeerling geformuleerde welstandscriteria.
Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht in Barkelazathe is gericht op visuele versterking van het gebied, zodat hier het bijzondere welstandsniveau geldt.

Gebiedsgerichte welstandscriteria
Algemeen
Relatie met de omgeving
  • Gebouwen binnen een verkavelingstructuur die dwars of onder een hoek op de aanliggende weg is georiënteerd, moeten met hun lengte- en kaprichting in de richting van de verkavelingstructuur worden geplaatst; gebouwen die als zodanig dwars op de verkavelingstructuur zijn georiënteerd zijn niet toegestaan.
  • Gebouwen binnen een evenwijdig aan de aanliggende weg gelegen verkavelingstructuur moeten met hun lengte- en kaprichting dwars op de verkavelingstructuur c.q. aanliggende weg worden geplaatst. Een andere oriëntatie voortkomend uit dierenwelzijn dient, per geval, in overleg te worden bepaald.
  • Bijgebouwen (bv. schuren) en aan- of uitbouwen moeten, met inachtneming van de voorgaande twee criteria, in de richting van het hoofdgebouw zijn georiënteerd.
  • Bijgebouwen en aan- of uitbouwen mogen het vrije zicht over de bijbehorende kavel niet belemmeren.
  • Gebouwen moeten duidelijk zijn gericht op de ontsluitingszijde c.q. aanliggende weg.
Bouwmassa en vormgeving
  • Gebouwen met een enkelvoudige hoofdvorm, duidelijke voor- en achterzijde en duidelijke (schuine) kap gelden als norm.
  • Gebouwen en bouwwerken met de uiterlijke kenmerken van een romney loods of zeecontainer zijn niet toegestaan.
  • Aan- en uitbouwen moeten qua bouwmassa duidelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.
  • Nieuwe schuren moeten een zodanig gelede gevel hebben dat, in visueel opzicht, aangesloten wordt op de maat en schaal van een traditionele schuur.
  • Wanden van nieuwe schuren die substantieel hoger zijn dan die van traditionele schuren moeten in twee delen worden uitgevoerd. Daarbij moet de bovenbouw duidelijk buiten de onderbouw steken en als één geheel zijn gedetailleerd met het dak.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Voor hoofdgebouwen geldt een streekgebonden detaillering en een op de belendende bebouwing afgestemde materiaalkeuze als uitgangspunt, waarbij toepassing van roodachtige baksteen en keramische dakpannen voor respectievelijk de gevels en de kap de voorkeur heeft.
  • Nieuwe hoofd- en bijgebouwen moeten worden uitgevoerd in aardkleuren die gedekt van toon zijn, lichte en heldere kleuren zijn niet toegestaan.
  • Voor nieuwe bijgebouwen zoals schuren is een moderne detaillering en een modern materiaalgebruik toegestaan, waarbij het echter de voorkeur verdient om in ieder geval het onderste deel van de gevels in een steenachtig materiaal uit te voeren (zie 3.2.2, opslagschuur).
Barkelazathe
Relatie met de omgeving

• Gebouwen mogen niet met de achtergevel zijn gericht op de weg.

Bouwmassa en vormgeving
  • Het hoofdgebouw moet van meer dan gemiddelde grootte zijn en de uitstraling van een landhuis bezitten.
  • Aan- en uitbouwen moeten voldoende direct verbonden zijn met het hoofdgebouw en passen bij de bouwmassa en vormgeving van het hoofdgebouw.
  • Bijgebouwen moeten geheel vrij staan van het hoofdgebouw en mogen daarmee niet zijn verbonden
  • Bijgebouwen moeten qua bouwmassa ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en qua vormgeving daaraan verwant zijn.
Detaillering en materiaalgebruik

• Felle kleuren zoals signaalkleuren zijn niet toegestaan.

Smeerling
Relatie met de omgeving
  • Vervangende nieuwbouw moet conform de situering van de oorspronkelijke bebouwing worden geplaatst.
  • De nokrichting moet in overeenstemming zijn met die welke in het vigerende bestemmingsplan zijn aangegeven.
  • De waardevolle open groene ruimtes en boomsingels mogen niet worden aangetast.
Bouwmassa en vormgeving
  • Bij vervangende nieuwbouw geldt de verschijningsvorm van de oorspronkelijke bebouwing als uitgangspunt.
  • Alleen gebouwen met een duidelijke kapvorm, conform de oorspronkelijke situatie, zijn toegestaan.
  • De traditionele hoofdvorm van de oorspronkelijke gebouwen dient te worden gehandhaafd; bij verbouw mag geen onevenredige aantasting van de hoofdvorm plaatsvinden.
Detaillering en materiaalgebruik
  • Bij vervangende nieuwbouw geldt de oorspronkelijke detaillering en het oorspronkelijke materiaalgebruik als uitgangspunt.
  • Bij verbouw mag geen onevenredige aantasting van de oorspronkelijke dakbedekking en het oorspronkelijke gevelbeeld plaatsvinden.
  • De dakhelling van de gebouwen moet minstens 30° bedragen.
  • Als dakbedekking mogen uitsluitend oud-Hollandse, rode dakpannen worden toegepast.
  • Gevels mogen uitsluitend worden uitgevoerd in rode baksteen.

3.2. WELSTANDSOBJECTEN

In deze paragraaf worden de objectgerichte welstandscriteria beschreven voor bouwwerken die zo specifiek zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze worden geplaatst, een eigen serie welstandscriteria vergen. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat het steeds om relatieve welstandscriteria. De bouwplannen worden altijd aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling de welstandscriteria toepast in het licht van het concrete bouwplan.

In deze welstandsnota zijn de volgende objecten, waarvoor een beoordelingskader met eigen welstandscriteria is opgesteld, benoemd, te weten:

  • 3.2.1 Boerderij
  • 3.2.2 Opslagschuur
  • 3.2.3 ”Krimpenhuis”
  • 3.2.4 Villa
  • 3.2.5 Luifels
  • 3.2.6 Rolluiken
  • 3.2.7 Reclames
  • 3.2.8 Woonwagens

Omdat de gebiedsgerichte welstandscriteria niet altijd voldoende houvast bieden, zijn hiervoor op het object toegesneden welstandscriteria opgesteld. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de kwaliteit van deze bouwwerken.

De (vrijwel) absolute welstandscriteria die gelden voor aan - en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, dakkapellen, kozijn -en/of gevelwijzigingen, erf -/perceelafscheidingen worden beschreven onder hoofdstuk 3.4, welstands(loket)criteria voor sneltoets.

3.2.1. BOERDERIJ

Objectbeschrijving

Het meest voorkomende type boerderij is de zogenaamde ‘Kop-rompboerderij´.
De boerderijen zijn altijd gelegen aan de weg, liggen nooit direct aan het water en richten zich zowel naar de weg als naar het achterliggende land waar zij een functionele relatie mee hebben. Meestal volgt de situering van de boerderij de verkavelingsrichting van het gebied, hetgeen betekent dat de meeste boerderijen niet haaks maar scheef op de as van de aanliggende ontsluitingsweg zijn gesitueerd. De ligging is vrij en landelijk en de boerderij heeft veelal een groot erf waarvan een gedeelte is bebouwd.
Meestal bestaat de boerderij uit een woongedeelte in een bouwlaag met een kap die in het verlengde van de boerderij ligt. Het woonhuis heeft vaak een topgevel van baksteen, in combinatie met hout, en is voorzien van luiken. De dakbedekking bestaat uit een pannendak, uit riet of uit een combinatie van beide. De ornamentiek en de vorm van de ramen en topgevels kan sterk variëren. De deeldeur van het stalgedeelte bevindt zich in de topgevel en de gemetselde buitenwanden zijn voorzien van kleine(re) vensters.
Het dak van het stalgedeelte is meestal voorzien van pannen of riet.
Voor een overzicht van de boerderijen, voor zover deze monumenten zijn, wordt verwezen naar bijlage 2 en de daarbij behorende monumentenkaart.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

De boerderijen zijn verbonden aan de agrarische geschiedenis en hebben daarom een grote cultuurhistorische waarde. Zij hebben mede daardoor in grote mate het landschap bepaald. De cultuurhistorie die aan ruimtelijke ontwikkelingen wordt verbonden, is zeker van toepassing op historische boerderijen omdat een boerderij niet alleen een bijzondere verschijningsvorm heeft, maar ook een eigen geschiedenis die van betekenis kan zijn voor de omgeving. Om de boerderijen voldoende te kunnen beschermen is het goed als hun cultuurwaarde van te voren beleidsmatig is vastgesteld.

Rijksmonumenten zijn beschermde objecten en zijn als zodanig opgenomen in het register ingevolge artikel 6 van de Monumentenwet 1988. Deze aangewezen monumenten zijn erkend als bouwwerk van groot belang en genieten wettelijke bescherming.

In Stadskanaal staat in het buitengebied een aantal historische en beeldbepalende boerderijen die op de Rijksmonumentenlijst zijn geplaatst. Vooral bij Onstwedde staat een relatief groot aantal boerderijen op de Rijksmonumentenlijst. Ook staat er een boerderij in Onstwedde op de gemeentelijke monumentenlijst.

De welstandscommissie beoordeelt het bouwplan in eerste instantie op grond van de objectgerichte criteria.

Welstandsniveau

Inzet voor het beleid zijn het behoud van de structuur van het gebouw en het bedrijfsmatige karakter met de daarmee samenhangende inrichting van het erf. De boerderijen vallen onder het bijzondere welstandsniveau. De gebiedsgerichte welstandscriteria zijn van toepassing, maar worden in een regulier gebied toch bijzonder geïnterpreteerd. Dit wil zeggen dat ingrepen aan deze gebouwen gericht moeten zijn op het behouden en versterken van het karakter van de gebouwen in hoofdlijnen.

Welstandscriteria boerderij
Ligging in de omgeving
  • De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  • Significant grote schuren, stallen of bijgebouwen moeten zoveel mogelijk vrijstaand van de boerderij worden geplaatst en in ieder geval achter de achtergevelrooilijn. Zie verder 3.2.2, opslagschuur.
Vormgeving
  • De hoofdvorm met kap geldt als uitgangspunt.
  • De dakhelling moet om en nabij de 45 graden bedragen.
  • Zijvleugels en aan - of uitbouwen mogen de contouren en het silhouet van de oorspronkelijke boerderij niet teveel verstoren.
Detaillering
  • Grote ingrepen zoveel mogelijk concentreren.
  • Renovaties, aan - of verbouwing in stijl aanpassen aan het oorspronkelijke gebouw waarbij een hedendaagse interpretatie van historische kenmerken soms mogelijk is.
  • Bij restauratie en verbouwing dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten op de oorspronkelijke materialen.
  • De voorgevel heeft een rijker karakter dan de zij - en achtergevel.
  • Dakkapellen, gootlijsten, kroonlijsten en dergelijke moeten worden vormgegeven als zelfstandige elementen.
  • Het kleurgebruik moet aansluiten op de aard van de boerderij en gedekt van tint zijn
  • Signaalkleuren zijn niet toegestaan.
  • Zorgvuldige detaillering is vereist voor kozijnen, voordeuren, garagedeuren, hekwerken, boeiboorden, windveren, etc.
  • Alleen natuurlijke materialen zijn toegestaan, met uitzondering van authentiek vormgegeven kunststof kozijnen, ramen en deuren.
  • Dakramen moeten rechthoekig zijn, in verzonken uitvoering en zorgvuldig zijn geplaatst in evenwichtige verhouding tot het dakvlak en elkaar.

3.2.2 OPSLAGSCHUUR

Objectbeschrijving

Een opslagschuur is een bouwwerk dat vroeger was bestemd voor de opslag van graan en tegenwoordig landbouwwerktuigen en aardappels. De schuur staat veelal vast aan de naastgelegen en daarbij behorende boerderij en is van oudsher voorzien van een lage dakvoet. Hierdoor en door de aanwezigheid van gebinten lenen deze oude gebouwen zich steeds minder voor het nieuwe gebruik als gevolg van de voortschrijdende schaalvergroting. Steeds meer wordt daarom gekozen voor nieuwe loodsen waarin men deze functies adequaat kan onderbrengen. Omdat de behoefte aan een groter oppervlak steeds groeit, zijn maten van 25 bij 40 meter geen uitzondering. Ook het profiel wordt steeds groter en de goothoogte is in de loop der jaren gegroeid van 3,50 meter naar 6,00 meter.

De wanden van de opslagschuur wordt bijna uitsluitend in staalplaat uitgevoerd.
Het dak, dat altijd als zadeldak wordt uitgevoerd, bestaat veelal uit staalplaat terwijl men ook nog wel eterniet golfplaten toegepast. Sommige nieuwe schuren overschrijden door hun grootte het volume van een forse historische boerderij, waardoor er steeds meer sprake is van oplopende schaalverschillen tussen de historische, toch al forse bebouwing, en de huidige nieuwbouw. De nieuwe opslagschuur wordt het liefst zo dicht mogelijk bij de oude historische schuur gebouwd. De positionering ervan is naast of achter de bestaande boerderij in een richting evenwijdig aan de bestaande boerderij. Varianten met een richting dwars op de bestaande bebouwing komen echter ook voor.

De welstandscommissie beoordeelt het bouwplan in eerste instantie op grond van de objectgerichte welstandscriteria.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

De opslagschuur is op zich geen nieuw fenomeen. Door de schaalvergroting van het boerenbedrijf is het echter onvermijdelijk dat de opslagschuren steeds grotere afmetingen krijgen en daarmee het traditionele beeld van het landschap beïnvloeden. Deze ontwikkeling wordt op zich acceptabel geacht, maar voorkomen moet worden dat het beeld van de aanwezige (historische) bebouwing te veel wordt aangetast. Opslagschuren dienen dan ook parallel aan en zoveel mogelijk achter de (historische) boerderij te worden geplaatst om de cultuurhistorische waarde van de boerderij tot zijn recht te laten komen. Daarnaast is het van belang om met name de dominerende gevelhoogte in visueel opzicht te verzachten. Een architectonisch middel om dit te bereiken is het toepassen van een horizontale geleding in de gevels.

Romneyloodsen en zeecontainers kenmerken zich door een schrale en strikt utilitaire vormgeving en materialisering en spelen niet in op de bebouwingskarakteristiek in de omgeving. Daarnaast veroorzaakt de aanwezigheid van romneyloodsen en zeecontainers een rommelig en ad hoc bebouwingsbeeld. Deze objecten vormen een ongewenste inbreuk op de beeldkwaliteit in de gemeente en moeten daarom worden geweerd.

Welstandsniveau

Overeenkomstig het welstandsgebied waarin de opslagschuur wordt gerealiseerd.
Een en ander betekent dat eventueel bij de gebiedscriteria aangegeven welstandscriteria prevaleren boven de hierna aangegeven criteria.

Welstandscriteria opslagschuur
Ligging in de omgeving
  • De opslagschuur is visueel als zelfstandige eenheid herkenbaar; een eventuele fysieke verbinding tussen boerderij en opslagschuur moet een zo gering mogelijke omvang hebben.
  • De opslagschuur moet zo dicht mogelijk bij de boerderij worden geplaatst en in ieder geval achter de achtergevelrooilijn.
  • De richting van de opslagschuur dwars op de aanliggende weg en dus evenwijdig aan de boerderij.
  • Een streekgebonden uitstraling geldt als norm.
Vormgeving
  • Het dakvlak dient uitgevoerd te worden als zadeldak.
  • Nieuwe en grote schuren moeten rondom zodanig gelede gevels hebben dat ze in visueel opzicht aansluiten op de maat en de schaal van een traditionele schuur.
  • Schuren en opslagplaatsen met de uiterlijke kenmerken van een (semi)romney loods of zeecontainer zijn niet toegestaan.
Detaillering
  • Het dak en het daarop aansluitende bovenste geveldeel moeten als één geheel zijn gedetailleerd.
  • Modern materiaalgebruik is toegestaan.
  • Het onderste geveldeel moet bij voorkeur van steenachtig materiaal zijn.
  • De gevelhoogte mag in visueel opzicht niet worden geaccentueerd.
  • Gedekte kleuren dienen worden toegepast.
  • Signaalkleuren zijn niet toegestaan.
Overig

• Naast bovenstaande objectcriteria moet de opslagschuur voldoen aan eventuele specifieke criteria uit het gebiedsgerichte beoordelingskader, welke prevaleren boven de hier vermelde criteria.

3.2.3. KRIMPENHUIS

Objectbeschrijving

Het Krimpenhuis dankt zijn benaming aan het voorkomen van zogenaamde “krimpen”.
Dit zijn sprongen in de zijgevels, waardoor het brede achterhuis overgaat in een smaller voorgedeelte. Deze “krimpen” komen in het algemeen aan beide zijden voor.
In het “krimpenhuis” zijn alle functies onder een dak samengebracht. Behalve de woonruimte is er ook plaats voor een (klein) bedrijfsgedeelte in enigerlei vorm. De krimpen zijn waarschijnlijk ontstaan toen de woning een afgescheiden plaats in het gebouw kreeg en de ingang van hoog opgaande gevels ingang vond. Op deze wijze kon men ook de daglichttoetreding via vensters in de ter plaatse hogere gevels regelen. De bekroning van het dak wordt doorgaans gevormd door een gemetselde schoorsteen en/of een “makelaar” (houten ornament). Het “krimpenhuis” komt algemeen voor als arbeiders- of kleine burgermanswoning en is tot in de dertiger jaren een bruikbare woonvorm gebleken. Hierdoor komen ook de verschillende architectuur - c.q. decoratiestijlen van rond de vorige eeuwwisseling nog in het “krimpenhuis” tot uitdrukking.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

De “krimpenhuizen” zijn verbonden aan de agrarische geschiedenis van het gebied en hebben daarom een grote cultuurhistorische waarde. Zij hebben, als afgeleide van de landschappelijke structuur, mede het landschap bepaalt.
De cultuurhistorie die aan deze ruimtelijke ontwikkeling wordt verbonden, is zeker van toepassing op het historische “krimpenhuis” omdat deze niet alleen een bijzondere verschijningsvorm heeft, maar ook een eigen geschiedenis die van betekenis is voor de uitstraling van de omgeving. Om het “krimpenhuis” voldoende te kunnen beschermen, is het van belang als hun cultuurwaarde beleidsmatig wordt vastgesteld.

Welstandsniveau

Het beleid ten aanzien van het “krimpenhuis” is behoud van de structuur van de verschijningsvorm van het bouwwerk op zich. De in de gemeente voorkomende “krimpenhuizen” vallen onder het ´bijzondere welstandsniveau´. De gebiedsgerichte welstandscriteria zijn van toepassing, maar worden in een regulier gebied toch bijzonder geïnterpreteerd. Dit wil zeggen dat ingrepen aan deze gebouwen gericht moeten zijn op het behouden en versterken van het karakter van de gebouwen in hoofdlijnen.

Welstandscriteria Krimpenhuis
Ligging in de omgeving
  • De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  • De situering is overwegend haaks op de weg.
  • Het lagere achtergedeelte ligt in het verlengde en is gericht op het erf.
Vormgeving
  • De hoofdvorm moet enkelvoudig zijn.
  • De grondvorm moet in principe rechthoekig zijn, met een grotere lengte dan breedte.
  • De voorzijde moet in principe zijn versmald, waardoor het voor- c.q. woongedeelte een grotere goothoogte heeft.
  • De kapvorm is een zadeldak met een dakhelling van om en nabij de 45 graden.
  • De nok is doorlopend en het dak overheerst in het totaalbeeld.
  • Het achterdakschild is meestal een (steiler) wolfseind.
  • De voorzijde wordt ook als rechthoekig front uitgevoerd, soms over de hele gevelbreedte.
Detaillering
  • De gevelvlakken dienen te overheersen in het totale beeld.
  • Ramen zijn altijd verticaal gericht waarbij de hoogte altijd groter (ongeveer 2 x) is dan de breedte; de breedtemaat ligt rond de 90 cm.
  • Ter plaatse van de zolder zijn de ramen veel lager.
  • De detaillering is eenvoudig met een sobere gootconstructie.
  • De voorzijde is gevarieerder gedetailleerd.
  • De driehoek aan de top wordt bij de grotere typen van een houten beschieting voorzien.
  • Het metselwerk is bij voorkeur van rode Groninger steen, of van een op de belendende bebouwing afgestemde soort.
  • De dakpannen zijn uitgevoerd als gebakken pan, in een op de belendende bebouwing afgestemde kleur.
  • Bekroning van het dak door middel van een schoorsteen.
  • Het voorgedeelte of alleen de voorgevel is soms in een lichte kleur gepleisterd.
  • Het schilderwerk is bij voorkeur traditioneel wit / groen, of in een op de belendende bebouwing afgestemde kleur.
  • Ondergeschikte raamopeningen, goten en windveren moeten de bouwmassa accentueren.

3.2.4. VILLA

Objectbeschrijving

Villa’s hebben in principe een opbouw waarbij het dak op een borstwering op de verdieping is geplaatst. Als gevolg van het gebruikelijk representatieve karakter van de woning komen echt kleine exemplaren weinig voor. Door de geleding van de plattegrond en de veelal samengestelde dakvorm is de bebouwing echter zeer gedifferentieerd van opbouw en neigt daardoor naar een samengestelde bouwvorm die nog eens wordt versterkt door toegevoegde elementen als erkers en dakkapellen. Een eventueel aangebouwde schuur is meestal veel kleiner dan het hoofdgebouw.
De eenvoudigste basisvorm van de villa is de rechthoek welke soms sterk neigt naar het vierkant. Deze is vrijwel altijd duidelijk geleed ondanks de soms minimale verschuivingen in geleding. Toegevoegde elementen als erkers en dergelijke, alsmede de gedifferentieerde kap, zijn vaak geïntegreerd in de totaalopbouw, waarmee de geleding van de bouwvorm wordt versterkt. Hoewel de villa ook in twee bouwlagen voorkomt, is de meest algemene verschijningsvorm die van een verdieping met kap. Door de gebruikelijke toepassing van borstweringen en een relatief grote plafondhoogte is de gevel overheersend ten opzichte van de kap. Door de genuanceerde opbouw van de kap, welke tot uitdrukking komt in de gevelbeëindigingen, speelt deze nadrukkelijk mee in het totaalbeeld.

Als dakvorm is steeds sprake van een samengestelde kap, welke kan zijn opgebouwd uit een rondgaand schilddak of tentdak. Hierbij kan aan een of meer zijden een verlaagde uitbouw in een topgevel eindigen. Bij de grotere typen komt ook wel een T-vorm voor, waarbij een kap dwars op de hoofdkap staat. Ten aanzien van zowel de opzet als de dakbeëindigingen komen veel variaties op het algemene beeld voor.

Afhankelijk van de bouwstijl waarin de villa vorm heeft gekregen, is er een verscheidenheid aan uitdrukkingseigenschappen. Trof men in de aanvankelijke opzet nog hoofdzakelijk een traditionele opzet aan waarbij de ramen en deuren als “gaten” in de muren kunnen worden gekenschetst, bij de latere typen komen ook veel groter en/of samengestelde raamvormen voor. Bij deze laatste is sprake van een zekere gelijkwaardigheid tussen open en gesloten vlakken. De detaillering is echter zo dat de grote raampartijen in harmonie met de totaalopzet zijn gebracht. Gevelopbouw en gevelindeling zijn steeds asymmetrisch.

Voor een overzicht van de villa’s wordt, voor zover het monumenten betreft, verwezen naar bijlage 2 en de daarbij behorende monumentenkaart.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

Villa’s komen in Stadskanaal hoofdzakelijk in de woonwijk Parkwijk en aan de Handels- en Postkade voor en in Musselkanaal aan de Marktkade. Deze ruimtelijke ontwikkelingen zijn gerealiseerd op ruime kavels en ingebed in een rijke, ruim opgezette groenachtige structuur.
Zij geven een goed beeld van de architectonische rijkdom van de wijk in de loop van verschillende tijden. De diversiteit van bouwstijlen van deze villa’s rechtvaardigen een beleid dat er op is gericht om deze in hun oorspronkelijke staat te bewaren.

Welstandsniveau

De villa’s bevinden zich in welstandsgebieden waarin het reguliere welstandsniveau geldt. Inzet voor het beleid is het behoud van de structuur en het karakter van de villa’s.

De gebiedsgerichte welstandscriteria zijn op de villa’s van toepassing, maar worden

in een regulier gebied toch bijzonder geïnterpreteerd.

Welstandscriteria Villa
Ligging in de omgeving
  • De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  • De villa is steeds ruim gesitueerd in zijn omgeving.
  • Villa’s zijn doorgaans alzijdig georiënteerd en hebben een duidelijke voorkant.
  • De voorkant is steeds op de weg gericht.
Massa
  • De basisvorm bestaat uit een gedifferentieerde en gelede opbouw met een samengestelde bouwvorm.
  • De villa bij voorkeur in een verdieping met kap uitvoeren.
  • Als dakvorm een samengestelde kap toepassen zoals schild - of tentdak.
  • Toevoegingen zoals erkers (met of zonder balkon), serres en veranda’s zijn toegestaan.
  • Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van de oorspronkelijke villa behouden blijven.
Detaillering
  • Samengestelde (grote) raampartijen in harmonie met de totaalopzet.
  • Asymmetrische gevelopbouw en -indeling.
  • Verticale gevelgeleding moet overheersen.
  • Kleine en grote(re) dakkapellen zijn toegestaan mits deze qua maat en schaal in verhouding zijn tot de totale massa.
  • Daklijsten en dergelijke moeten worden vormgegeven als zelfstandige elementen
  • Versieringen en geledingen door speklagen en siersteenverbanden zijn toegestaan.
  • Grote ingrepen zoveel mogelijk concentreren .
  • Renovaties, aan- of verbouwing in stijl aanpassen aan het oorspronkelijke gebouw waarbij een hedendaagse interpretatie van historische kenmerken soms mogelijk is.
  • Bij restauratie en verbouwing dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke materialen.
  • Indien geglazuurde pannen worden toegepast dienen deze in een gedekte kleur te zijn uitgevoerd.
  • Alleen natuurlijke materialen zijn toegestaan, met uitzondering van authentiek vormgegeven kunststof kozijnen, ramen en deuren.
  • Gevels dienen in een rode of donkere kleur uitgevoerd te worden, of afgestemd te zijn op de belendende bebouwing.
  • Felle en signaalkleuren zijn niet toegestaan.

3.2.5. LUIFELS

Objectbeschrijving

Het betreft hier alleen luifels voor in hoofdzaak winkels en bedrijven en geen luifels voor woningen. Een luifel is een constructie die over het algemeen een tweeledig doel heeft.
Ten eerste heeft deze veelal een esthetische functie om bijvoorbeeld de entreepartij van een (solitair) gebouw te accentueren en ten tweede biedt een luifel bescherming tegen weersinvloeden zoals regen en sneeuw. Zeker als de luifel zich boven een winkelpui bevindt, is droog winkelen gegarandeerd. Luifels komen echter in diverse verschijningsvormen en alle maten voor. Zolang de luifels het (gevel)beeld niet verstoren en er onderlinge samenhang bestaat, dus als de luifel een duidelijke toegevoegde waarde voor het gebouw heeft, is er niets op aan te merken.

Steeds meer kan men echter een samenspel van luifels waarnemen die, bij elkaar gezien, leiden tot een (zeer) verstorend en onrustig geheel. Het is dan ook zaak om voor deze materie criteria op te stellen opdat een en ander meer in harmonie met de omringende (bebouwde) omgeving komt.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

Luifels dienen in eerste instantie zodanig te worden ontworpen dat zij een toegevoegd element zijn aan een gebouw. Dit betekent dat hier zorgvuldig mee dient te worden omgegaan. Zij dienen ter verfraaiing van een gebouw en maken deel uit van het totale architectuurbeeld en zijn omringende omgeving.
Een veelheid van “aan elkaar geplakte” luifels van diverse vormen werkt verstorend en veroorzaakt een onrustig beeld. Omdat met name in het winkelgebied zeer veel luifels voorkomen, dienen hiervoor aparte welstandscriteria te worden opgesteld.

Welstandsniveau

De meeste luifelconstructies komen voor in de winkelgebieden. In de kanaalzone met lintbebouwing geldt het bijzondere welstandsniveau en in Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp het reguliere welstandsniveau. Dit betekent dat er, met name voor het gebied waar het bijzondere welstandsniveau geldt, extra aandacht aan het uiterlijk en de positionering van de luifels dient te zijn.

Welstandscriteria luifels
Ligging in de omgeving
  • Een luifel dient een toegevoegde waarde te bezitten en te harmoniëren met het gebouw waartoe deze behoort.
  • Een luifel mag geen overheersende uitstraling op zijn omgeving hebben.
  • Een luifel moet als toegevoegd element zodanige afmetingen bezitten dat duidelijk is tot welk basiselement het behoort.
Massa
  • De vorm van de luifel moet passen bij en afgestemd zijn op het gebouw ten behoeve waarvan zij functioneert.
  • Massa en vorm mogen niet overheersend zijn ten opzichte van het achterliggende gebouw.
  • Solitaire luifels dienen een zodanige vorm te hebben en constructie te bezitten dat zij niet dissoneren met de directe omringende omgeving.
  • Bij meerdere op elkaar aansluitende luifels van verschillende vorm dient er een duidelijke afstemming tussen beide plaats te vinden.
Detaillering
  • Luifels dienen zodanig te zijn gedetailleerd dat duidelijk is tot welk gebouw zij behoren.
  • Aaneenschakeling van luifels is niet toegestaan tenzij dit direct voortvloeit uit de daarachter liggende gebouwen.
  • Monotone en massieve detaillering moet worden vermeden.
  • Luifelconstructies moeten een transparant en luchtig karakter uitstralen.
  • Een luifel moet functioneel zijn gedetailleerd.
Welstandscriteria luifels met reclame
  • De afmetingen van de reclame dienen in verhouding te zijn tot de luifel waaraan deze is bevestigd
  • Reclames dienen bij voorkeur in het voorvlak van de luifel te worden aangebracht.

3.2.6. ROLLUIKEN

Objectbeschrijving

Een rolluik is een metalen constructie die, in neergelaten toestand, de functie heeft van bescherming van de direct daarachter liggende ruimte(n). Rolluiken zijn er in alle vormen en maten en in diverse uitvoeringen. Zo komen rolluiken voor in geheel gesloten uitvoering, maar ook in transparante uitvoering. Het meest voorkomende rolluik is van metaal met afmetingen gelijk aan de puibreedte en voorzien van openingen, als tralie hekwerk, waardoor het mogelijk is om door het rolluik heen de etalage te bekijken. De transparantie van rolluiken is erg belangrijk omdat gesloten rolluiken veel nadelen hebben.
De belangrijkste daarvan is het naargeestige karakter in gesloten toestand en de gevoeligheid voor graffitispuiters. Rolluiken komen vooral voor in de centra van de kernen en bij een winkelcentrum of een clustering van winkels.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

Voor de uitstraling van winkels, een cluster daarvan of een winkelcentrum is het van belang dat er geen rolluiken worden toegepast met een gesloten structuur. Vanuit esthetisch oogpunt is dit onaanvaardbaar omdat de voorkant van het gebouw, indien het rolluik is neergelaten, wordt gedegradeerd tot een achterkant met gesloten wand. Vanuit de gedachte van het uitoefenen van een vorm van sociale controle is het onwenselijk en zeker als er in een winkelcentrum veel slecht verlichte hoeken aanwezig zijn. Hierdoor wordt samenscholing en vandalisme in de hand gewerkt met de daaraan verbonden negatieve consequenties.

Welstandsniveau

Rolluiken komen hoofdzakelijk voor bij winkels in de kanaalzone met lintbebouwing en de centrumgebieden in Stadskanaal en Musselkanaal. Omdat in de kanaalzone met lintbebouwing het bijzondere welstandsniveau geldt, dient voor in dat gebied mogelijk voorkomende rolluiken een strak beleid te gelden. Voor Stadskanaal - Musselkanaal -Ceresdorp geldt weliswaar het reguliere welstandsniveau, maar ten aanzien van rolluiken dient ook daar het zwaardere niveau te gelden. De hieronder aangegeven welstandscriteria prevaleren dan ook boven die welke in de daarop van toepassing zijnde welstandsgebieden zijn beschreven.

Welstandscriteria rolluiken
Ligging in de omgeving

• De rolluiken hebben een duidelijke relatie met het achterliggende gebouw.

Massa
  • Rolluiken mogen, tenzij dit vanwege de functie van het gebouw of de winkel is vereist, niet in gesloten vorm worden toegepast.
  • De rolluiken moeten, qua uitstraling, zijn afgestemd op het gebouw of de winkel.
  • De maximale maten van het rolluik dient te zijn afgestemd op de betreffende (winkel)pui.
Detaillering
  • Rolluiken dienen te harmoniëren met de functie van de achterliggende ruimte.
  • De uitvoering van naast elkaar gelegen rolluiken dient zoveel mogelijk op elkaar te zijn afgestemd.
  • Rolluiken moeten voor tenminste 90 % transparant zijn uitgevoerd, tenzij uit hoofde van de functie van het gebouw of winkel een ander percentage transparantie is vereist.
  • Rolluiken moeten in staal of aluminium worden uitgevoerd.
  • Alleen uniforme en gedekte kleuren zijn toegestaan.
  • Signaalkleuren zijn niet toegestaan.
  • Rolluiken moeten graffitibestendig zijn.

3.2.7. RECLAMES

Objectbeschrijving

Reclames zijn verwijzingen naar namen van bedrijven of uitingen van aanprijzingen van bepaalde artikelen welke zich op of aan bepaalde objecten bevinden.
Zij bevinden zich bijvoorbeeld aan de gevels van gebouwen, op luifels, rolluiken en aan lantaarnpalen. Reclameaanduidingen worden met name toegepast in de winkelgebieden en op de bedrijventerreinen.

Reclames profileren zich in diverse verschijningsvormen en in verschillende maten en kleuren. Een concentratie van te veel reclames leidt echter tot een onrustig omgevingsbeeld dat moet worden voorkomen.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

Reclames moeten een toegevoegde waarde bezitten en vooral niet overheersend overkomen. Het reclamebeleid dient er dan ook op te zijn gericht om reclame-uitingen zoveel mogelijk te classificeren, te concentreren en te groeperen. Dit zal vooral bij winkels en winkelgebieden in Stadskanaal en Musselkanaal van toepassing zijn.

Het formaat van de toegepaste reclames dient gerelateerd te zijn aan de gebouwen waarop deze zijn aangebracht. Bij bedrijfsgebouwen van enige omvang zijn dan ook relatief forsere reclame-uitingen toegestaan dan bij de veelal kleinschaliger winkelpanden. Dit geldt met name voor grote bedrijfsgebouwen op de bedrijventerreinen en perifere detailhandel.

De welstandscriteria zijn ook van toepassing op achter ruiten in de gevel aangebrachte reclame.

Voor reclames op of aan een woning gelden de voorschriften uit het vigerende bestemmingsplan of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Welstandsniveau

Omdat de meeste reclame-uitingen in de kanaalzone met lintbebouwing, in het centrum - en winkelgebied van Stadskanaal en Musselkanaal zullen voorkomen, moeten zij worden beoordeeld naar het in die gebieden geldende welstandsniveau. Dit betekent dat er in de kanaalzone met lintbebouwing, waar het bijzondere welstandsniveau geldt, zwaardere eisen aan de reclames zullen worden gesteld dan in het centrum - en winkelgebied van Stadskanaal en Musselkanaal. De objectcriteria, die hierna worden beschreven, prevaleren boven de eventueel voor het betreffende welstandsgebied beschreven gebiedscriteria.

Welstandscriteria reclames
Ligging in de omgeving
  • Reclames moeten een directe relatie hebben met het gebouw of bouwwerk waarop of waaraan zij zijn bevestigd.
  • Reclames moeten in principe op of aan de gevel van het betreffende gebouw worden aangebracht of op onderdelen daarvan (zie de welstandscriteria voor reclame aan luifels). In deze context geldt dat reclame ter plaatse van de (eventuele) bovengelegen woningen niet is toegestaan.
  • Bij bedrijfsgebouwen op een bedrijventerrein of in het buitengebied is reclame op het bijbehorende erf of parkeerplaats toegestaan.
  • Voor reclames op of aan een woning gelden de voorschriften uit het vigerende bestemmingsplan of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
Vormgeving
  • Reclamevoorzieningen dienen, in verhouding tot het gebouw waarop ze zijn aangebracht, niet massaal van omvang te zijn of over te komen.
  • Bij grote bedrijven en perifere detailhandel moet de reclame als zelfstandig element zijn vormgegeven.
  • De verhouding tussen lengte en breedte van de reclame - uiting dient in proporties te zijn.
Detaillering
  • Reclamevoorzieningen mogen geen afbreuk doen aan het gebouw waaraan of waarop zij worden aangebracht.
  • De afmetingen van de reclame dienen in verhouding te zijn tot het achterliggende gevelvlak of pui van het gebouw.
  • De lengte van de reclame mag niet breder zijn dan 60% van de breedte van de winkel-, bedrijfspui of luifel.
  • De hoogte van de reclame mag maximaal een vijfde van de verdiepinghoogte bedragen, met een maximum van 0,50 meter voor de winkelgebieden.
  • De minimale hoogte waarop aan gevels geplaatste reclames of luifels mogen worden aangebracht is 2,50 meter.
  • Reclames dienen in het gevelvlak of haaks daarop te worden aangebracht.
  • Bij haaks op de gevel aangebrachte reclames mag de dikte niet meer dan 0,30 meter bedragen.
  • Onder een hoek op de gevel of op luifels geplaatste reclames zijn niet toegestaan.
  • Baniers en/of vrij in de directe omgeving van het betreffende gebouw aangebrachte reclame is alleen dan toegestaan indien dat op eigen terrein plaatsvindt.
  • Reclamezuilen of soortgelijke reclamevoorzieningen mogen geen grotere doorsnede hebben dan1,00 x 1,00 meter of, indien deze een ronde vorm heeft, een diameter van 1,10 meter en een hoogte van maximaal 3,00 meter.
  • Reclame op rolluiken en zonwering is niet toegestaan.
  • Geen lichtkranten of lichtreclames met veranderend of met tussenpozen verschijnend licht.

3.2.8 WOONWAGENS

Objectbeschrijving

Een woonwagen kenmerkt zich over het algemeen door een enkele bouwlaag die ten opzichte van het straatniveau verhoogd is geplaatst. Overige kenmerken zijn meestal een rechthoekige hoofdvorm en een eenvoudige en strakke vormgeving. De gevels zijn meestal in een lichte kleurstelling uitgevoerd.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

Een woonwagen is een bouwwerk in de zin van de Woningwet. De locatie en verschijningsvorm van woonwagens hebben invloed op de directe omgeving. Er dient zowel naar de uiterlijke aspecten van de woonwagens als naar de inpassing in de situatie worden gekeken. Deze moeten een verzorgd en samenhangend karakter vertonen. Woonwagens zijn op een drietal locaties in de gemeente toegestaan.

Welstandsniveau

Bij de inpassing van woonwagens in een bestaande omgeving geldt als uitgangspunt dat de aanwezige ruimtelijke kwaliteit wordt gehandhaafd. Woonwagens worden daarom aangemerkt als reguliere welstandsobjecten.

Welstandscriteria woonwagens
Ligging in de omgeving
  • Positionering in de heersende rooilijn
  • De kopgevels zijn gericht op de weg
Massa
  • Eén bouwlaag met een rechthoekige hoofdvorm.
  • Plat dak of licht hellend zadeldak tot 15°.
Detaillering
  • Typologie woonwagen handhaven, met verhoogd vloerniveau (entree) ten opzichte van de straat.
  • Eenvoudige en samenhangende gevelindeling.

3.3 Algemene welstandscriteria

De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonische ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. Zij liggen daarmee (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling.

In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan (slaafs) is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden.

Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van “redelijke eisen van welstand” ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonische vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.

3.3.1 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm.

Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong.
Daarmee is gelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast ook andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

3.3.2. Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.

Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.
Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.

3.3.3. Vormen in de sociaal-culturele context

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd.
Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen, krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters en classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.
In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd, doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd wordt geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

3.3.4. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw.
Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.
Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven.
Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken.
Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen van het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.

3.3.5. Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

Ieder bouwwerk heeft een schaal die voorkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.
De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte, maar waarom de maatverhoudingen aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van de andere, valt nauwelijks vast te stellen.
Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast, kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.
De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tesamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf, maar ook van de omgeving waarin deze is geplaatst.

3.3.6 Materiaal, textuur, kleur en licht

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

Door middel van materialen, kleuren en lichtval krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele kracht en wordt het zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan architectonische vormgeving of een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staan.

3.4 WELSTANDS(LOKET)CRITERIA VOOR SNELTOETS

In dit hoofdstuk worden de welstands(loket)criteria gegeven voor enkele veel voorkomende kleine bouwplannen. In tegenstelling tot alle eerder beschreven relatieve welstandscriteria gaat het in deze paragraaf om vrijwel absolute criteria, die de planindiener vooraf maximale duidelijkheid geven. Een bouwplan is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand als het bouwwerk:

  • voldoet aan de door de gemeente vastgestelde loketcriteria;
  • bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht;
  • qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelopen 3 jaar) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar (bij gelijkvormige kapvorm en woningtype);
  • qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door de gemeente geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een (deel van) een woonwijk.

Licht vergunningplichtige bouwplannen die aan de loketcriteria voldoen worden in principe niet aan de welstandscommissie voorgelegd. Als er voor een bepaald type licht vergunningplichtig bouwplan geen loketcriteria zijn opgenomen zal het bouwplan door de welstandscommissie worden getoetst aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de in de welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte en/of de algemene welstandscriteria. Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen, is een vangnet geconstrueerd door het toevoegen van de regel “deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van genoemde criteria”. Bij toepassing van dit vangnet dient dan deugdelijk te worden gemotiveerd waarom er een uitzondering op de opgestelde criteria wordt gemaakt. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 4:84 van de Algemene wet Bestuursrecht.

Hierna worden loketcriteria gegeven voor:

  • Aan- en uitbouwen,
  • Bijgebouwen en overkappingen,
  • Dakkapellen,
  • Dakramen,
  • Kozijn- en gevelwijzigingen,
  • Erf - en perceelafscheidingen,
  • Zonnecollectoren en - panelen,
  • (Schotel)antennes.

Per type bouwwerk komen de volgende punten aan de orde:

  • Een korte beschrijving van de karakteristiek en waar de gemeente vanuit welstandsoogpunt naar streeft.
  • De welstands(loket)criteria, onderverdeeld in:
    • algemeen,
    • vormgeving,
    • plaatsing en aantal,
    • maatvoering,
    • materiaal en kleur.

3.4.1. AAN- EN UITBOUWEN

Omschrijving en uitgangspunten

Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Aan- en uitbouwen worden in grote aantallen gerealiseerd. Als deze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een aan – of uitbouw aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat.

De gemeente streeft in alle gebieden naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en gebouwen. Belangrijk daarbij is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Ten behoeve van de aanbouw dient de overgang naar / scheiding tussen de naastliggende hoofdbebouwing met aanbouw gelijkvormig en duidelijk te worden aangegeven (bijvoorbeeld door een gemetselde muurdam). Bij hoekaanbouwen dienen de gevels van de achter- en zijaanbouw gelijk te lopen, waardoor een aaneensluitende hoekoplossing ontstaat.

Aan- en uitbouwen aan de voorgevel, zoals erkers en aan- en uitbouwen, die contrasteren met het hoofdgebouw, zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

De hieronder genoemde welstandscriteria zijn bruikbaar voor een aan- of uitbouw die volgens het bestemmingsplan is toegestaan en waarvoor een lichte bouwvergunning moet worden aangevraagd. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat over de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling tevens de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria betrekt.

Loketcriteria aan- en uitbouwen aan de naar de openbare ruimte gekeerde zijkant of voorkant

Een aan- of uitbouw aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan.

Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of bestaat er gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks)monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

Algemeen
  • De aan- of uitbouw voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst gaat worden.
  • De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.
Vormgeving
  • Vormgegeven in een bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
  • Plat afgedekt, of dakhelling en nokrichting identiek aan die van het hoofdgebouw, met uitzondering van glazen serres, die mogen worden voorzien van een licht hellende glaskap.
  • Geen doorgetrokken dakvlak van het hoofdgebouw over de aan-of uitbouw.
  • Profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelkozijnen en ramen van het hoofdgebouw.
  • Geen overmaat aan detailleringen, dus een bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.
Plaatsing en aantal
  • De afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot de voorgevelrooilijn.is minimaal 3,00 m
  • De aan- of uitbouw aan de voorgevel mag de zijgevellijn niet overschrijden, geen hoekaanbouw.
  • De achtergevel van de aan- of uitbouw aan de zijgevel dient niet gelijk te lopen met de achtergevellijn van het hoofdgebouw maar juist te verspringen.
  • De afstand van de aan- of uitbouw tot aan de zijdelingse perceelgrens is minimaal 1,00 m.
Maatvoering
  • Hoogte niet hoger dan de eerste bouwlaag / vloer 1e verdieping van het hoofdgebouw, maximaal 5,50 meter.
  • Breedte maximaal 75 % van de breedte van de oorspronkelijke voor- of zijgevel.
  • De oppervlakte mag maximaal 50m2 zijn en het terrein mag maximaal voor 50% bebouwd zijn.
Materiaal en kleur
  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Serres mogen worden uitgevoerd in glas.
Loketcriteria aan- en uitbouwen aan de achterkant en niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant

Een aan- of uitbouw aan de achterkant of de niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of bestaat er gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks)monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

Algemeen
  • De aan- of uitbouw voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst gaat worden.
  • De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.
Vormgeving
  • Vormgegeven in een bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
  • Plat afgedekt, of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, - helling en nokrichting, met uitzondering van glazen serres, die mogen worden voorzien van een licht hellende glaskap.
  • Geen doorgetrokken dakvlak van hoofdgebouw over de aan- of uitbouw.
  • Gevelgeleding gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelkozijnen en ramen van het hoofdgebouw.
  • Geen overmaat aan detailleringen, dus een bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.
Plaatsing en aantal
  • Afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel minimaal 3,00 m tot de voorgevelrooilijn.
  • De achtergevel van de aan/uitbouw van de zijgevel dient niet tegelijk te lopen met de achtergevellijn, maar dient te verspringen.
  • Bij een hoekaanbouw dienen de achter - en zijaanbouw op elkaar aan te sluiten.
  • Niet meer dan twee bijgebouwen of overkappingen op het erf.
Maatvoering
  • Hoogte niet hoger dan de eerste bouwlaag / vloer 1e verdieping van het hoofdgebouw en maximaal 5,50 meter.
  • Breedte maximaal 100 % van de breedte van de oorspronkelijke achter - of zijgevel van het hoofdgebouw.
  • De oppervlakte mag maximaal 50m2 zijn en het terrein mag maximaal voor 50% bebouwd zijn.
Materiaal en kleur
  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Aan- of uitbouw aan de zijgevel bestaat voor minimaal 20 % en maximaal 75 % uit gevelopeningen / glasvlak.

3.4.2. BIJGEBOUWEN EN OVERKAPPINGEN

Omschrijving en uitgangspunten

Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage. De overkapping staat los van op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Minimaal twee zijden zijn open. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen).

De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van bijgebouwen en overkappingen waarbij materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd zijn op die van het hoofdgebouw. Een eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote overstekken of versieringen toepassen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en worden afgestemd op het karakter daarvan of de erfinrichting. Bijgebouwen die contrasteren met het hoofdgebouw zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

De hieronder genoemde welstandscriteria zijn bruikbaar voor een bijgebouw of overkapping die volgens het bestemmingsplan is toegestaan en waarvoor een lichte bouwvergunning moet worden aangevraagd. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat over de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling tevens de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria betrekt.

Loketcriteria bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant

Een bijgebouw of overkapping aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of bestaat er gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks)monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. Een bijgebouw of overkapping op het voorerf is altijd van grote invloed op het straatbeeld en zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd, waarbij onderstaande criteria de beoordelingsuitgangspunten zijn.

Algemeen
  • Bijgebouw of overkapping voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst gaat worden.
  • Het bijgebouw of de overkapping is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Vormgeving
  • Vormgegeven in een bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
  • Plat afgedekt, of met een dakhelling en nokrichting identiek aan die van het hoofdgebouw.
  • Gevelgeleding gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Indeling en profielen van kozijnen en ramen gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Geen overmaat aan detailleringen, dus een bescheiden overstek, boeiboord (maximaal 25 cm.) en ornamenten.
Plaatsing en aantal
  • Geen bijgebouw of overkapping op het voorerf.
  • Het bijgebouw moet minimaal 3.00 m, de overkapping minimaal 1.00 m, achter de voorgevelrooilijn worden geplaatst.
  • Afstand van het bijgebouw tot de zijdelingse perceelgrens is minimaal 1.00 m, de overkapping mag tot op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd.
  • Niet meer dan twee bijgebouwen en/of overkappingen op het gehele erf.
Maatvoering
  • De maximaal toegestane totale goothoogte van het bouwwerk bedraagt 3,00 m, de maximale nokhoogte 5,00 m gemeten vanaf het aansluitende terrein.
  • De oppervlakte mag maximaal 50m2 zijn en het terrein mag maximaal voor 50% bebouwd zijn.
Materiaal en kleur
  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan die van het hoofdgebouw of afgestemd op het karakter van de tuin (metselwerk of hout).
  • Golfplaten, betonplaten of damwandprofielen zijn niet toegestaan.
Loketcriteria bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant en niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant

Een bijgebouw of overkapping aan de achterkant of aan een niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of bestaat er gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks)monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

Algemeen
  • Bijgebouw of overkapping voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst gaat worden.
  • Geen secundaire overkapping, bijvoorbeeld aan een bestaande aan-, uitbouw of bijgebouw.
  • Het bijgebouw of de overkapping is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Vormgeving
  • Vormgegeven in een bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
  • Plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, - helling en nokrichting.
  • Profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelkozijnen en ramen van het hoofdgebouw.
  • Geen overmaat aan detailleringen, dus een bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.
  • Overkapping maximaal twee zijden tegen de gevels van het hoofdgebouw en minimaal twee zijden open.
Plaatsing en aantal
  • Geen bijgebouw of overkapping op het voorerf.
  • Afstand van een bijgebouw tot de voorgevellijn minimaal 3,00 m.
  • Afstand van een overkapping tot de voorgevellijn minimaal 1,00 m.
  • Afstand tot de erfgrens minimaal 1,00 m achter de erfafscheiding tenzij het bijgebouw qua materialisatie is geïntegreerd in de erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk).
  • Niet meer dan twee bijgebouwen en/of overkappingen op het gehele erf.
Maatvoering
  • Goothoogte maximaal 3,00 m gemeten vanaf het aansluitende terrein.
  • Bij toepassing van een kap mag de maximale goothoogte 3,00 m en maximale nokhoogte 5,50 gemeten vanaf het aansluitende terrein zijn.
  • De oppervlakte mag maximaal 50m2 zijn en het terrein mag maximaal voor 50% bebouwd zijn.
Materiaal en kleur
  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan die van het hoofdgebouw of afgestemd op het karakter van de tuin (metselwerk of hout).
  • Golfplaten, betonplaten of damwandprofielen zijn niet toegestaan.

3.4.3. DAKKAPELLEN

Omschrijving en uitgangspunten

Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbare woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze vanuit de openbare ruimte zichtbaar zijn, voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een dakkapel aan de achterkant (op het achter - of zijdakvlak als het zijerf of – gevel niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). In een dergelijk geval kan een dakkapel, binnen bepaalde grenzen, vergunningvrij zijn. Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit in het silhouet van het dak domineren en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van het straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op een doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een en hetzelfde bouwblok (met dezelfde architectuur / bouwstijl) kan rust en samenhang brengen.

De hieronder genoemde welstandscriteria zijn bruikbaar voor een dakkapel die volgens het bestemmingsplan is toegestaan en waarvoor een lichte bouwvergunning moet worden aangevraagd. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat over de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling tevens de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria betrekt.

Loketcriteria dakkapellen

Een dakkapel aan de voorkant of naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Indien er sprake is van een bijzondere situatie of bestaat er gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan wordt de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks)monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

Algemeen
  • Een dakkapel voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst gaat worden.
  • Een dakkapel moet ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.
  • De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok, mits de gemeente ervoor heeft gekozen om een andere geplaatste dakkapel als trendsetter aan te wijzen.
  • Een dakkapel op een bijgebouw is niet toegestaan.
Vormgeving
  • De dakkapel moet in principe plat zijn afgedekt, tenzij deze is geplaatst in een rieten dak. Aangekapte dakkapellen worden ter beoordeling aan de welstandscommissie voorgelegd.
  • Gevelgeleding gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelkozijnen en ramen van het hoofdgebouw.
  • Geen overmaat aan detailleringen, dus een bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.
Plaatsing en aantal
  • Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op een horizontale lijn, dus niet boven elkaar.
  • Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan de geleding van de voorgevel.
  • Minimaal 1,00 m dakvlak boven en ter weerszijden van de dakkapel, waarbij de afstand tot de zijkant aan de bovenzijde van de dakkapel wordt gemeten (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde / dakvoet van de dakkapel).
  • Afstand tot de goot minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 m.
  • Niet meer dan een dakkapel per woning op het betreffende dakvlak, tenzij het om kleine en onopvallend vormgegeven dakkapellen gaat op een grote (vrijstaande) woning, zoals kleine driehoekige dakkapellen.
  • Maximaal twee dakkapellen per woning op het betreffende dakvlak welke gelijk van vorm dienen te zijn.
Maatvoering
  • Hoogte maximaal 50 % van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1,50 m gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim.
  • Breedte maximaal 1/3 van de breedte van het dakvlak met een maximum van 2,00 m, gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of einde dakvlak met overstekken, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde / dakvoet van de dakkapel).
Materiaal en kleur
  • Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan die van het hoofdgebouw.
  • Geen dichte panelen in het voorvlak; bij binnenwanden eventueel een dubbele stijl toepassen.
  • De zijwangen van de dakkapel bij voorkeur in een donkere kleur of in de kleur van het dakvlak.

3.4.4. DAKRAMEN

Omschrijving en uitgangspunten

Een dakraam is een raam aangebracht in het dakvlak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak blijft behouden en dakbedekking rondom aanwezig is. Dakramen zijn niet erg dominant in het straatbeeld, maar kunnen door verschil in grootte en plaatsing binnen een dakvlak toch storend zijn.

Dakramen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de eenheid van het dakvlak. Bij meerdere dakramen op een doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Daarbij moet de ruimte tussen het dakraam en goot of nok voldoende zijn. Ook de onderlinge afstand tussen verschillende dakramen moet voldoende zijn om het dakvlak als eenheid te respecteren.

Loketcriteria voor dakramen

In veel gevallen zullen dakramen vergunningvrij zijn In die gevallen waarin dat niet het geval is, geldt het navolgende. Een dakraam is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht zal de welstandscommissie altijd om advies worden gevraagd.

Algemeen
  • Het dakraam voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar het dakraam geplaatst gaat worden.
  • Een dakraam moet ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en het dakvlak waarin het wordt geplaatst.
  • Het dakraam is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakramen in het betreffende dakvlak van het bouwblok.
Vormgeving
  • Eenvoudige vormgeving.
  • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden kozijn en profielen.
Plaatsing en aantal
  • Bij meerdere dakramen in hetzelfde bouwblok zoveel mogelijk een regelmatige rangschikking op een horizontale en/of verticale lijn.
  • Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan de geleding van de voorgevel.
  • Minimaal 0,50 m dakvlak boven, onder en ter weerszijden van het dakraam, waarbij de afstand tot de zijkant aan de bovenzijde van het dakraam wordt gemeten (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde / dakvoet van het dakraam).
  • Bij meerdere dakramen een tussenruimte van minimaal 0,50 m.
  • Maximaal twee dakramen op het voordakvlak en vier dakramen op achter - en zijdakvlak.
  • Totaal mag maximaal 50 % van het betreffende dakoppervlak worden bebouwd.
Maatvoering

• Voorzover de achterliggende ruimten dat toelaten moet bij meerdere dakramen zoveel mogelijk een identieke maatvoering worden aanhouden.

Materiaal en kleur
  • Eenvoudig en bescheiden kleurgebruik.
  • Geen opvallend en / of contrasterende kleuren toepassen.

3.4.5. KOZIJN- GEVELWIJZIGINGEN

Omschrijving en uitgangspunten

Van een kozijn – of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand, moeten kozijn- en gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel die naar de weg of het openbaar groen is gekeerd vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om een andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19e eeuw.

Uitgangspunt van de loketcriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout.

De materialisatie en detaillering zijn voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader. Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

Loketcriteria voor kozijn- of gevelwijzigingen

Een kozijn- of geveIwijziging is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks)monument zal de welstandscommissie altijd om advies worden gevraagd.
Wijzigingen aan de voorgevel of zijgevel zijn, als de gevel naar de weg of het openbaar groen zijn gekeerd, altijd van grote invloed op het straatbeeld. Dergelijke kozijn- of gevelwijzigingen zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd, waarbij onderstaande criteria de beoordelingsuitgangspunten zijn.

Algemeen

• De kozijn- of gevelwijziging voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar de verandering of wijziging betrekking op heeft.

Vormgeving
  • De gevelwijziging moet in overeenstemming blijven met de architectuur / tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel.
  • Een individuele wijziging mag niet lijden tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. horizontale en verticale indeling van de gevel handhaven.
  • Samenhang en ritmiek van de straatwand mogen niet worden verstoord.
  • De gevel van begane grond en verdieping(en) moeten samenhangend blijven.
  • De indeling komt overeen met de oorspronkelijke hoofdindeling.
  • De indeling van het raamhout moet worden behouden.
  • In naar de openbare ruimte gerichte gevels geen tussen dubbel glas geplaatste imitatieroeden.
  • Toegevoegde of vervangende beweegbare delen zijn mogelijk.
  • Geveldelen mogen niet met panelen geblindeerd zijn of geschilderd.
  • Bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en / of rollagen in originele staat of in overeenstemming met de vormtaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en / of raamlijsten.
Plaatsing en aantal

• Niet aan de voorgevel of zijgevel als het zijerf / - gevel naar de weg of het openbaar groen is gekeerd.

Maatvoering
  • Oorspronkelijke maatvoering van kozijn en ramen behouden.
  • Diepte van de negge gelijk als de bestaande situatie.
  • De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en / of het raamhout behouden.
Materiaal en kleur
  • Materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw.
  • Stalen kozijnen en ramen vervangen door aluminium kozijnen en ramen vanwege de gewenste dimensionering; kunststof kozijnen en ramen zijn in visueel opzicht overwegend te zwaar uitgevoerd.
  • In principe geen kunststof bij vervanging van houten kozijnen toepassen, tenzij de bestaande profilering en oppervlaktestructuur behouden blijven.
  • Geen opvallend en / of contrasterende kleuren toepassen.

3.4.6. ERF- EN PERCEELAFSCHEIDINGEN

Omschrijving en uitgangspunten

Een erfafscheiding is een bouwwerk bedoeld om het erf af te bakenen van een naburig erf of van de openbare weg.Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide buren worden gewaardeerd. Indien aan deze eis wordt voldaan, zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt omdat het groen hier de eerste jaren nog niet is volgroeid.

Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Het buitengebied vraagt bijvoorbeeld om een andere erfafscheiding dan een woongebied. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen de indruk van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijk karakter.

Loketcriteria voor erf- of perceelafscheidingen

Het plaatsen van een erf - of perceelafscheiding is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht of (rijks) monument zal de welstandscommissie altijd om advies worden gevraagd.

Algemeen

• De erf - of perceelafscheiding voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar de erf – of perceelafscheiding geplaatst wordt.

Vormgeving
  • De vormgeving moet zijn afgestemd op de erfafscheiding van het belendende perceel, tenzij de erfafscheiding niet voldoet aan de hier genoemde loketcriteria voor erf - en perceelafscheidingen.
  • Haagplanten zoals liguster, buxus of haagbeuken, volledig te begroeien gazen hekwerken of andere natuurlijke materialen.
  • Een houten erfafscheiding dient te zijn afgestemd op de erfafscheiding van het belendende perceel of op een in de omgeving reeds bestaande erfafscheiding.
  • Rechte vormgeving toepassen, geen toogvormen.
Maatvoering
  • Indien de erfafscheiding tenminste 1,00 m achter de voorgevellijn wordt geplaatst is de toegestane hoogte maximaal 2,00 m.
  • Bij plaatsing op een kortere afstand van de voorgevellijn bedraagt de hoogte maximaal 1,00 m.
Materiaal en kleur
  • Materiaal en kleur aansluitend op de erfafscheiding van het naburige perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde loketcriteria voor perceel - en erfafscheidingen.
  • Houtwerk om en om aangebracht indien de erfafscheiding is geplaatst achter de voorgevellijn op de zij - of achtererfgrens en deze niet naar de weg of openbaar groen is gekeerd.
  • Metselwerk conform het hoofdgebouw met daarboven bijvoorbeeld metalen stijlen in donkere kleur of schotten van houten planken tussen gemetselde penanten
  • Beton, kunststof, staal, golfplaat en damwandprofielen zijn niet toegestaan.
  • Felle contrasterende kleuren zijn niet toegestaan.

3.4.7. ZONNECOLLECTOREN EN – PANELEN

Omschrijving en uitgangspunten

Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmte – opwekking. Deze voorzieningen worden in toenemende mate ontwikkeld en toegepast. Inmiddels is er zodanig ervaring mee opgedaan dat een zorgvuldige vormgeving en plaatsing mogelijk is. Zonnepanelen of panelen die niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied hebben weinig ontsierende invloed. De situering van zonnepanelen of - collectoren wordt echter bepaald door de optimale stand van de zon. Voorkeur van de gemeente voor situering aan de achterzijde kan daarom niet van doorslaggevende aard zijn bij de beoordeling van dergelijke bouwaanvragen. Alleen in een beschermd dorpsgezicht, op monumenten of beeldbepalende panden lijkt een alternatieve situering aan minder belangrijke zijden of op tuinbergingen een voor de hand liggend alternatief. Zonnecollectoren of - panelen kunnen in het ontwerp van een gebouw worden geïntegreerd. Als losse toevoeging kunnen zij echter heel storend werken. Bij meerdere collectoren / panelen op een doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.

Loketcriteria voor zonnepanelen of –collectoren

Een zonnepaneel of -collector is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht zal de welstandscommissie altijd om advies worden gevraagd.

Algemeen
  • Het paneel / de collector voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze wordt geplaatst.
  • Op het dakvlak mogen geen dakramen of dakkapellen zijn gesitueerd.
Vormgeving
  • Het paneel / de collector moet geïntegreerd zijn in het ontwerp van het bouwwerk.
  • Het paneel / de collector moet, qua vormgeving, een geheel vormen met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit; zo niet dan moet de installatie in het bouwwerk zijn geplaatst.
Plaatsing en aantal
  • Bij meerdere panelen / collectoren moeten deze regelmatig zijn gerangschikt op een horizontale of verticale lijn in een bepaalde ordening.
  • Bij plaatsing op een schuin dak moet het geheel binnen het dakvlak zijn gelegen en moet de hellingshoek gelijk zijn aan die van het dakvlak.
  • Bij plaatsing op een plat dak moet het geheel binnen een hoek van 15 graden vanaf de dakrand zijn gelegen met een minimum afstand tot de dakrand van 0,5m.
Materiaal en kleur

• De kleur dient in overeenstemming te zijn met het achterliggende dakvlak of anders zwart, antraciet of donkergrijs.

3.4.8. (SCHOTEL)ANTENNES

Omschrijving en uitgangspunten

In dit hoofdstuk gaat het om antennes die van wezenlijk belang zijn voor het kunnen zenden en / of ontvangen van radio -, televisie – en andere communicatiesignalen. Onder een spriet - of staafantennemast worden niet begrepen calamiteitensirenes en antenne-installaties ten behoeve van mobiele telefonie. Antennes kenmerken zich door een zeer eigen technische vormgeving die vooral aan de voorzijde van een gebouw geplaatst storend kan zijn voor het straatbeeld. De gemeente streeft dan ook naar plaatsing van antennes achter het hoofdgebouw en in ieder geval onzichtbaar vanaf de weg of openbaar groen.

Antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op / aan een bouwwerk worden aangebracht. Een antenne dient een ondergeschikt element te blijven ten opzichte van de omringende bebouwing. Als losse toevoeging kunnen zij storend werken op het uiterlijk van een gebouw. Met name de hoogte, de bouwkundige uitwerking en detaillering van antennes mogen niet zwaar drukken op de omgeving. Een zorgvuldige plaatsbepaling en inpassing in de omgeving zijn daarom van belang. De voorkeur gaat uit naar plaatsing van de antenne achter het hoofdgebouw en in ieder geval achter de voorgevellijn. Daarnaast is maatvoering en een zorgvuldige kleurkeuze van belang. De antenne dient altijd ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw of het erf waarop deze is geplaatst.

Loketcriteria voor (schotel)antennes

Een spriet -, staaf - of schotelantenne is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande loketcriteria wordt voldaan. Voldoet het bouwplan aan deze criteria, dan kan de ambtenaar het (positieve) welstandsoordeel geven. Indien er sprake is van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd dorpsgezicht zal de welstandscommissie altijd om advies worden gevraagd.

Algemeen

• De antenne voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze wordt geplaatst.

Vormgeving
  • De antenne en bijbehorende voorzieningen (mast, bedrading, tuidraden, enz.) als een geheel vormgeven.
  • Als de antenne vanaf de weg of het openbaar groen zichtbaar is moet deze zo onzichtbaar mogelijk zijn met zo min mogelijk “dwarssprieten”.
Plaatsing en aantal
  • De antenne moet bij voorkeur aan een achtergevel worden bevestigd maar in ieder geval achter de voorgevellijn worden geplaatst.
  • Antennes mogen niet aan monumenten of een beeldbepalend pand worden aangebracht.
  • Bij gestapelde woningbouw moet de antenne op het platte dak worden geplaatst.
  • Bij bevestiging op of aan een balkon bij gestapelde woningbouw mag de antenne niet buiten het verticale vlak van het balkonhek uitsteken en moet deze binnen de hoogte van de betreffende bouwlaag vallen.
  • Maximaal een spriet -, staaf – of schotelantenne aan, op of bij een woning c.q. pand.
Maatvoering
  • Bij plaatsing op een erf mag de hoogte van een spriet - of staafantenne maximaal 5,00 m zijn.
  • Bij plaatsing van een spriet - of staafantenne aan een gevel binnen een bijzonder beeldbepalend gebied, zoals een (beschermd) dorpsgezicht of centrumgebied, mag de hoogte van de antenne (inclusief antennedrager / mast) maximaal 3,00 m vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak bedragen.
  • Bij plaatsing van een spriet - of staafantenne aan de gevel binnen overige gebieden, zoals een bedrijventerrein, sportcomplex of woonwijk, mag de hoogte van de antenne (inclusief antennedrager / mast) maximaal 5,00 m vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak bedragen.
  • De hoogte van een schotelantenne (inclusief antennedrager / mast) mag maximaal 3,00 m ter bedragen, gemeten vanaf de voet van de antenne(drager).
  • De doorsnede (diameter) van een schotelantenne mag maximaal 2,00 m bedragen
Materiaal en kleur
  • Materiaal en kleur van de antenne onopvallend en aanvaardbaar in relatie tot de omgeving.
  • Geen felle en / of contrasterende kleuren toepassen maar antraciet of donker grijs.
  • Schotelantennes voorzien van een kleurenopdruk in de vorm van (bloem)motieven of dergelijke zijn niet toegestaan.

3.5. WELSTANDSCRITERIA BIJ (HER)ONTWIKKELINGSPROJECTEN

De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt.

Procedure

Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten is een vast onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria worden in samenspraak met de gemeente Stadskanaal en in overleg met de welstandscommissie door de stedenbouwkundige of supervisor opgesteld.
Het college van burgemeester en wethouders stelt de welstandscriteria vervolgens vast ter aanvulling op de welstandsnota. Zij kunnen deze bevoegdheid vervolgens mandateren aan een gemeenteambtenaar. Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraak bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding.

De welstandscriteria moeten zijn vastgesteld voordat de planvorming van de concrete bouwplannen start en worden bekendgemaakt aan alle potentiële opdrachtgevers en belanghebbenden in het betreffende gebied.

3.6. WELSTANDSCRITERIA BIJ EXCESSEN

Handhaving

De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. De gemeente Stadskanaal geeft daarnaast prioriteit aan het handhavingsbeleid ten aanzien van illegale bouwwerken, gebruik dat strijdig is met het bestemmingsplan, het actief opsporen en het in de praktijk daartegen optreden.

Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen bouwvergunning is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de bouwvergunning is verleend, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze bouwvergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen.

Excessenregeling bij vergunningvrije bouwwerken

Ook bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning hoeft te worden aangevraagd moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 19 van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Volgens datzelfde artikel moeten de criteria hiervoor in de welstandsnota zijn opgenomen.
Deze excessenregeling is echter niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan.

Criteria bij excessen

De gemeente Stadskanaal hanteert bij het toepassen van de excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft deze betrekking op:

  • Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk van zijn omgeving;
  • Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk;
  • Armoedig materiaalgebruik;
  • Toepassing van felle en (sterk) contrasterende kleuren;
  • Te opdringerige reclames; en
  • Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria).

Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine(re) bouwplannen zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

4 OVERGANGSBEPALING

Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming anderszins, die is ingediend voor het tijdstip waarop deze beleidsregels van kracht worden en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beslist, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing zoals deze luidden voor de vaststelling van de onderhavige beleidsregels, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de onderhavige beleidsregels op de aanvraag om bouwvergunning worden toegepast.

LEESWIJZER

Deze leeswijzer geeft aan hoe u te werk moet gaan indien u een bouwvoornemen heeft en wilt weten welke welstandscriteria daarvoor gelden.

  • 1. Zoek in de Straatnamenlijst (bijlage 4) uw straat op.
  • 2. Onthoudt het daarachter vermelde nummer van het bijbehorende welstandsgebied[1]:
    • 1 = Kanaalzone met lintbebouwing
    • 2 = Stadskanaal – Musselkanaal - Ceresdorp
    • 3 = Bedrijventerreinen
    • 4 = Alteveer – Onstwedde - Mussel
    • 5 = Buitengebied
  • 3. Zoek de beschrijving van dit welstandsgebied op in hoofdstuk 3.
  • 4. Raadpleeg de gebiedsgerichte welstandscriteria achter in de beschrijving.
  • 5. Betreft uw bouwvoornemen één van de hieronder vermelde bouwwerken?
    • Boerderij
    • Opslagschuur
    • “Krimpenhuis”
    • Villa
    • Luifel
    • Rolluik
    • Reclame
    • Woonwagen
  • 6. Zo ja, raadpleeg dan naast de gebiedsgerichte welstandscriteria ook de objectgerichte welstandscriteria in hoofdstuk 3.2, Welstandsobjecten.
  • 7. Betreft uw bouwvoornemen één van de hieronder vermelde (kleinere) bouwwerken?:
    • Aan- of uitbouw
    • Bijgebouw of overkapping
    • Dakkapel
    • Dakraam
    • Kozijn - en gevelwijziging
    • Erf- of perceelafscheiding
    • Zonnecollector of –paneel
    • (Schotel)antenne
  • 8. Zo ja, raadpleeg dan naast de gebiedsgerichte welstandscriteria ook de loketcriteria in hoofdstuk 3.4, Welstands(loket)criteria voor sneltoets.
  • 9. Heeft uw bouwvoornemen betrekking op een monument of een pand dat tot een beschermd dorpsgezicht [2] behoort?
  • 10. Indien ja, controleer dit aan de hand van het overzicht van monumenten en beeldbepalende panden (bijlage 2). Deze vallen onder de Monumentenwet 1988.

voetnoot[1]

De ligging van de welstandsgebieden is aangegeven op de overzichtskaart “Welstandsgebieden”.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [1] in de tekst

voetnoot[2]

Monumenten en beeldbepalende panden staan aangegeven op de overzichtskaart “Monumenten”.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [2] in de tekst

Bijlage 1 - Begrippenlijst

Verklarende lijst van in de tekst voorkomende en van daar uit te interpreteren, hoofdzakelijk aan gebouwen en bouwwerken gerelateerde begrippen.

A
Aangekapte dakkapel een dakkapel met een hellend dakvlak, dat aansluit op het hoofddak
Aardkleur een wat donkere roodachtige of bruinachtige kleur met een niet te heldere uitstraling.
Achtererf het gedeelte van het erf dat aan de achtekant van het gebouw is gelegen.
Achterkant het achtererf, de achtergevel en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw.
B
Basis welstandsniveau een voor een bepaald gebied geldend welstandsniveau waarbij afwijkingen in de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur kunnen worden verdragen, mits deze op een verantwoorde wijze worden uitgevoerd.
Bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.
Bedrijfsgebouw een gebouw ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen, loodsen en kantoren, met een qua uiterlijk doorgaans zakelijk karakter.
Beeldbepalend gebouw/bouwdeel een gebouw of bouwdeel dat vanwege zijn onderscheidende uiterlijke kenmerken qua (hoofd)vorm, detaillering, materiaaltoepassing e.d. een opvallende bijdrage levert aan de visuele beleving van de directe (bebouwde) omgeving.
Belendende bebouwing de aangrenzende bebouwing.
Beschermd dorpsgezicht een in de zin van beschermd dorpsgezicht zichtbaar samenhangende groep van gebouwen en/of bouwwerken die van groot algemeen belang worden geacht wegens hun uiterlijke kwaliteit, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde en daardoor wettelijke bescherming genieten.
Bijzonder welstandsniveau een voor een bepaald gebied geldend welstandsniveau waar Extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht en waar de gemeente, naast het welstandstoezicht, ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet of in de nabije toekomst zal inzetten.
Blinde gevel een gevel zonder ramen, deuren of andere gevelopeningen.
Boeiboord de opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderij gebouw(en) op een erf met een agrarische functie, inclusief het daarbij behorende woonhuis met veelal streekgebonden uiterlijke kenmerken. Zie ook het begrip “krimpenhuis”.
Borstwering een dichte wand tot geringe hoogte.
Bouwblok een afzonderlijk te onderscheiden geheel van aaneengesloten of geschakelde bebouwing.
Bouwlaag het souterrain, de begane grond, een verdieping of de zolder van een gebouw.
Bouwmassa het volume van een gebouw of gebouwdeel.
Bovenbouw het bovendeel van een gebouw; bijvoorbeeld de schuine kap van een woning met bijbehorende (kop)gevels.
Brink een van oorsprong groen en meestal wigvormig gebied in het centrum van een dorp.
Bungalow een meestal vrijstaande woning met een plat dak, waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gelegen.
Buurtschap een kleine dorpskern, bestaande uit een gering aantal gebouwen.
C
Carport een afdak of overkapping, bedoeld om daaronder een auto te stallen, meestal behorende bij een woning.
Cluster een groep gebouwen die vanwege een duidelijke onderlinge samenhang en begrenzing als afzonderlijke eenheid zijn te onderscheiden binnen een gebied.
Compositie de ordening van de verschillende delen van een gebouw, bouwwerk of onderdeel ervan of de situering van een gebouw /bouwwerk ten opzichte van de omringende bebouwing.
Cultuurhistorische waarde de door een vroegere cultuur, bodembewerkings- of levenspatroon ontstane visuele karakteristiek van een gebied, dat van waarde is voor de cultuurhistorie of zodanig zeldzaam is, dat het behoud ervan van algemeen belang wordt geacht.
D
Dak de horizontaal liggende of hellende begrenzing van een gebouw welke grenst aan de buitenlucht.
Dakhelling de hoek tussen het dak en het horizontale vlak.
Daklijn de contouren van de hoogst gelegen delen van een gebouw of groep gebouwen; ingeval van hellende daken de contouren van de nok.
Dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa van een (hoofd)gebouw vanaf het bestaande dakvlak, waarbij gehele of gedeeltelijke verhoging van het oorspronkelijke dakvlak plaatsvindt.
Dakoverstek het deel van een plat of hellend dakvlak dat vooruitsteekt ten opzichte van het daaronder gelegen gevelvlak.
Dakterras een vanuit een gebouw betreedbaar plat dakvlak, voorzien van een vloerafscheiding (hekwerk, balustrade).
Dakvoet het laagste punt van een hellend dakvlak.
Detaillering de vormgeving en onderlinge (constructieve) samenhang van bouwdelen.
Dubbele dakkapel een over twee woningen doorlopende dakkapel.
Dwarskap een schuine kap die dwars of haaks op de richting van de aanliggende straat staat.
E
Ecologische Hoofdstructuur (EHS) een aaneengesloten reeks van waardevolle natuur- en natuurontwikkelingsgebieden, waarvan een deel in het noordoosten van de gemeente Stadskanaal is gelegen.
Enkelvoudige bouwmassa een bouwmassa met één duidelijk te onderscheiden hoofdvorm.
Enkelzijdige dakopbouw de vergroting van een zolderverdieping op één dakvlak, waarbij de dakhelling(en) van die vergroting hetzelfde is (zijn) als die van het oorspronkelijke dakvlak en die dient ter vergroting van het woongenot.
Ensemble een architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere gebouwen. Compositorisch: zie compositie.
Erf de grond, behorende bij een woning of boerderij.
Erker een kleine uitbouw van meestal één bouwlaag aan een gevel van een gebouw, bedoeld ter vergroting van het woonoppervlak en veelal bestaande uit een gesloten borstwering met kozijnen.
Esdorp een dorp, gelegen op een kleine zandrug, langs een beekdal.
Esgebied of -grond een gebied waarin esdorpen zijn gelegen.
G
Gebint de traditionele benaming van de houten kapconstructie van een gebouw.
Gedekte tinten onopvallende kleuren met een niet te heldere uitstraling.
Geleding de verticale, horizontale of figuratieve indeling van een gevel door middel van gevelopeningen, gesloten gevelvlakken, inspringingen of andere gevelkenmerken en detailleringen.
Gevelpaneel een gesloten geveldeel van plaatachtig materiaal, al dan niet opgenomen in een kozijn of andersoortige omlijsting.
Gevelvlak de verticale begrenzing van een gebouw welke grenst aan de buitenlucht.
H
Historische bebouwing de tijdens een vroegere cultuur, bodembewerkings- of levenspatroon ontstane karakteristieke bebouwing in een gebied, i.c. de tijdens de veenontginning ontstane bebouwing.
Historische kern het centraal gelegen oudste deel van een dorp.
Hoevenlandschap een landschap met verspreid gelegen clusters van boerderijen .
Hoevenzwerm een cluster van ogenschijnlijk willekeurig gegroepeerde boerderijen.
Hoofdgebouw een gebouw op een perceel dat vanwege zijn functie en/of afmetingen als belangrijkste gebouw is aan te merken.
K
Karakteristiek pand een gebouw met onderscheidende uiterlijke kenmerken qua (hoofd)vorm, detaillering, materiaaltoepassing e.d.
Kopwoning de woning aan het eind van een aaneengesloten reeks (rijtjes)woningen.
Korrel de voor een bepaald gebied karakteristieke grootte van de individuele gebouwen met bijbehorende buitenruimte.
Kozijninvulling in een kozijn opgenomen, gesloten paneel.
Krimpenhuis een kenmerkend type arbeiderswoning of boerderij, met één of meerdere inspringende delen t.p.v. de voorgevel, de zogenaamde “krimpen”.
Kroonlijst een meestal versierde en geprofileerde houten rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel.
L
Landschappelijke waarde de bijzondere ruimtelijk zichtbare aspecten in een gebied.
Langskap een schuine kap, evenwijdig aan de richting van de aanliggende straat.
Lessenaarsdak een kapvorm met één hellend, niet onderbroken dakvlak.
Lintbebouwing een langgerekte reeks van veelal vrijstaande bebouwing langs een weg en/of waterverbinding.
Luifel een uitgebouwd afdak aan een gevel, meestal boven een gevelpui of deur.
M
Mansardekap een schuine dakvorm waarbij het onderste deel in een grotere dakhelling is aangebracht dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat.
Monden de vanaf het Stadskanaal gegraven brede afvoerkanalen in het veenkoloniale gebied, bestemt voor de afvoer van afgegraven turf (zie ook “wijken”).
Monument een gebouw of bouwwerk dat, in de zin van beschermd monument, van groot algemeen belang wordt geacht wegens zijn uiterlijke kwaliteit, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde en daardoor wettelijke bescherming geniet.
Monumentaal gebouw een gebouw met een, vanwege zijn omvang en architectuur, indrukwekkend uiterlijk.
Muurdam zie penanten.
N
Natuurlijke materialen (bouw)materialen die worden vervaardigd uit direct uit de natuur te betrekken grondstoffen, zoals klei voor bakstenen en dakpannen en hout voor gevelbetimmeringen.
Nederzettingspatroon de onderlinge ligging en oriëntatie van nederzettingen in een gebied.
Noklijn (nok) de hoogst gelegen horizontale snijlijn van twee hellende dakvlakken, i.c. de hoogst gelegen lijn van het dak.
Nokrichting de richting van de noklijn.
Nokvorst de meestal steenachtige afdekking ter plaatse van de nok.
O
Ontsluitingsweg de toegangsweg tot een gebied of terrein.
Oriëntatie van een gebouw de (hoofd)richting waarin een gebouw is geplaatst.
Overkapping een afdak van één bouwlaag, zonder gesloten verticale (gevel)vlakken.
P
Pand een gebouw of een gedeelte van een gebouw, voor zover dat gedeelte uitwendig een architectonische eenheid vormt.
Penanten de gesloten geveldelen langs de verticale zijden van een gevelpui.
Pergola een opengewerkte, luifelachtige, constructie tegen de gevel van één of meerdere gebouwen.
Profiel het dwarsprofiel van een straat met de aangrenzende erven en bijbehorende bebouwing.
R
Regulier welstandsniveau een voor een bepaald gebied geldend welstandsniveau waarbij het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de voor het gebied geldende eigen, te onderscheiden gewaardeerde ruimtelijke kwaliteit.
Renovatie een ingrijpende vernieuwing van (delen van) een gebouw, doorgaans als gevolg van achterstallig onderhoud of algeheel verval.
Rooilijn de (denkbeeldige) lijn die de begrenzing vormt van de toegestane bebouwing.
S
Signaalkleur een felle, direct in het oog springende kleur.
Schilddak een dakvorm met vier hellende dakvlakken, waarvan twee grote en twee kleine dakvlakken.
Schuur een bijgebouw ten behoeve van opslag e.d.
Serre een grondgebonden uitbouw aan een bestaande ruimte van een bestaande woning, met een in hoofdzaak transparant karakter.
Situering de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.
Strokenbouw de vooral in de jaren 60 en begin jaren 70 toegepaste seriematige woningbouw, met lange doorgaande woonblokken.
Structuur het ritme, de herkenbare maatreeksen en fysieke elementen van een gebouw of landschap.
T
Tentdak een dakvorm met vier hellende dakvlakken van gelijke omvang.
Textuur de (voelbare) structuur van de oppervlakte van een materiaal, bijvoorbeeld de oneffenheden van stenen en voegwerk in metselwerk.
Traditionele bouwwijze een bouwwijze die bestaat uit baksteenarchitectuur met relatief kleine gevelopeningen en houten dak- en vloerconstructies.
U
Uitsteekmaat bij haaks op de gevel aangebrachte voorzieningen zoals reclames: de afstand vanaf het gevelvlak tot en met het verst uitstekende onderdeel.
V
Veenkolonie een veenontginningsgebied dat is ontstaan door de afgraving van veen.
Verkaveling de historische opdeling van een veenkolonie door middel van kanalen, de zogenaamde wijken en monden.
Villa een vrijstaand woonhuis van enige allure.
Vloeiveld het bij een aardappelmeelfabriek behorende terrein, bestemd voor de permanente afvoer van open afvalwater.
Voorgevelrooilijn zie rooilijn.
Voorzijde de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de (representatieve) voorzijde van een gebouw.
W
Windveer een smalle afdekking aan de bovenzijde van een geveldeel, meestal uitgevoerd in hout.
Wolfseind een driehoekig schild ter hoogte van de nok van een kapconstructie.
Wijken de vanaf de monden gegraven afvoersloten in het veenkoloniale gebied, bestemt voor de afvoer van afgegraven turf.
Z
Zadeldak een dak bestaande uit twee tegenoverliggende hellende dakvlakken die bij de nok(lijn) op elkaar aansluiten.
Zijerf het gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen.
Zijkant het zijerf, de zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw.
Zijwangen de verticale of hellende, doorgaans gesloten, zijkanten van een dakkapel.

Bijlage 2 - Overzicht van monumenten en beeldbepalende panden

Rijksmonumenten

Beschermde monumenten, opgenomen in het register ingevolge artikel 6 van de monumentenwet 1988, stand van zaken per 1 januari 200

Alteveer Omschrijving Monumentennummer
1. Barkelazwet 6 Oldambster boerderij met aangeb. schuur + stookhut 516257
Musselkanaal    
2. Kerkstraat 9 Kerkzaal 516268
3. Marktstraat 43 Schoolgebouw 516256
4. Schoolstraat bij 104 a Schutsluis + dubbele draaibrug 516247
5. Schoolstraat 107 Winkelwoning 516267
6. Sluisstraat bij 149 Schutsluis + ophaalbrug en sluiswachterswoning 516248/252
Onstwedde    
7. Dorpsstraat 13 Oldambster boerderij 516270
8. Dorpsstraat 24 Oldambster boerderij 516271
9. Havenstraat 4 Voormalig raadhuis (woning) 34167
10. Kampweg 2 Villa + schuur + garage 516253
11. Kerklaan 7 Kerk 34169
12. Oosterholtsweg 3 3 arbeiderswoningen + schuur + stookhok 516235
13. Smeerling 13 Boerderij 34170
14. Smeerling 15 Boerderij 34171
15. Smeerling 16 Boerderij 34172
16. Smeerling 18 Boerderij 34173
17. Smeerling 20 Boerderij 34174
18. Ter Maars 4 Boerderij 34166
19. Ter Wuppingerweg 19 Boerderij 34176
20. Wessinghuizerweg 11a Boerderij 34177
21. Wessinghuizerweg 15 Boerderij 34178
Stadskanaal    
22. Ceresstraat 1 Watertoren 516263
23. Ceresstraat 2 Villa + dienstwoning + woning 516232/233/234
24. Drouwenerstraat 4 Villa (directeurswoning) 516203
24a. Drouwenerstraat 7 Houtloods 516202
25. Handelsstraat 8 Dwarshuisboerderij 516260
26. Handelsstraat 17 Rentenierswoning + schuur 516261
27. Handelsstraat 59 Winkelwoning + aangeb. pakhuis 516262
28. ’t Hofje bij 1 Julianapark met muziekkoepel 516242
29. ’t Hofje 1 t/m 27 (o en e) Bejaardenwoningen / woningen 516204
30. Hoofdstraat bij 89 Woning / schutsluis + bruggen 516251/246
31. Hoofdstraat 91 Villa (woning) 516258
32. H.J. Kniggestraat bij 121 Schutstraat + draaibrug 516250
33. Oosterkade 5 (ged.) Orgel van de kerk / van Oeckelenorgel 460739
34. Oosterstraat 73 Slachthuis + aangeb. schuur 516264
35. Oranjestraat 1 t/m 36 Arbeiderswoningen 516204
36. Poststraat 30 Kerk (gereformeerd) 516259
37. Scheepswerfstraat 38-39 Oldambster boerderij 516265
38. Unikenkade 74 Café (vorm.Vervenerswoning) 516266
39. Unikenstraat 46 Begraafplaats / hek / dienstwoning / bijschuur / laan met toegangshek 516227
40. Unikenstraat bij 98 Schutsluis + draaibrug 516249
Veenhuizen    
41. Veenhuizen 12 Boerderij (Westerwoldse type) 34175
42. Veenhuizen 19 Boerderij 516272
Vledderveen    
43. Waterschapsweg 32 Kerkgebouw 516269
Smeerling    
    In 1972 als beschermd Dorpsgezicht aangewezen  

Gemeentelijke monumenten

Beschermde gemeentelijke monumenten

Onstwedde Omschrijving Jaar
a. Dorpsstraat 1 Boerderij 2001
Stadskanaal    
b. Oosterkade 5 Kerk 1998
c. Oosterkade 6 Pastorie 1998
d. Cereskade bij 29 Brugwachtershuisje 2003

Bijlage 3 - Overzicht bestemmingsplannen

Vigerend bestemmingsplan Vastgesteld
Onstwedde, Alteveer en Mussel 24-04-2006
Bedrijvenpark Stadskanaal 25-02-2002
Hoek Bevrijderslaan / Onstwedderweg 25-11-1996
Herziening Buitengebied 1991 24-09-1990
Herziening Buitengebied 1998 31-08-1998
Buitengebied 24-09-1990
Stadskanaal Ceresdorp-Dideldom 26-06-2006
Holte 01-11-1993
Herziening kern Kopstukken 29-06-1981
Musselkanaal 24-02-2003
Smeerling 19-07-1993
Stadskanaal Kern 09-05-2005
Stadskanaal-Noord 1994 26-06-1995
Stadskanaal-Noord Kanaalbebouwing 1992 30-11-1992
Uitwerkingsplan Badstraat Stadskanaal- Noord 1993 30-09-1993
Herziening Buitengebied A.G. Wildervanck 25-08-1980
Uitwerkingsplan Waterland 1e fase 1996 13-02-1996
Uitwerkingsplan Waterland 2e fase 1996 05-11-1996
Uitwerkingsplan Waterland 3e fase 1997 25-03-1997
Uitwerkingsplan Waterland 4e fase deelplan A 1999 29-04-1999
Uitwerkingsplan Waterland 4e fase deelplan B 2000 31-07-2000
Uitwerkingsplan Waterland 4e fase deelplan C 23-10-2001
Uitwerkingsplan Waterland 4e fase deelplan C1 26-02-2002
Uitwerkingsplan Waterland fase 5 24-06-2002
Wijzigingsplan Krommewijk 1999 22-01-1999

Bestemmingsplannen in procedure

  • Landelijk gebied
  • Stadskanaal-Noord
  • Musselkanaal
  • Herziening 2006 Bedrijvenpark Stadskanaal

Bijlage 4 - Straatnamenijst

Welstandsgebiednummering Plaatsnaamcode Plaatsnaamcode
1 Kanaalzone met lintbebouwing S Stadskanaal
2 Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp Mk Musselkanaal
3 Bedrijventerreinen A Alteveer
4 Alteveer - Onstwedde - Mussel O Onstwedde
5 Buitengebied M Mussel
    V Vledderveen
Straatnaam Welstandsgebied Plaatsnaam
1e Achterholtsweg 5 O
1e Barlagerweg 5 O
2e Achterholtsweg 5 O
2e Barlagerweg 5 O
2e Oomsberg 5 M
3e Oomsberg 5 V
A. H. van Swinderenstraat 2 Mk
Abelenhage 2 S
Acaciahage 2 S
Achteresweg 5 O
Achterstekamp 2 S
Adriaan van Ostadelaan 2 Mk
Ahornhage 2 S
Akade 1 Mk
Akkerweg 5 Mk
Altenalaan 2 S
Alteveersterweg 4 A
Ambachtsstraat 3 S
Amerikalaan 2 S
Ampèreweg 3 S
Amstellaan 2 S
Anemonenstraat 2 Mk
Anjerstraat 2 Mk
Anker 2 S
Anne Rutgerslaan 2 S
Arendshorst 2 S
Asingaborg 2 S
Asterstraat 2 Mk
Atlantislaan 2, 5 S
Atrechtlaan 2 S
Aviaweg 5 V
Aweg 1 Mk
Azaleastraat 2 Mk
Aziklaan 2 S
Badstraat 2 Mk
Badstraat 5 S
Bakboord 2 S
Baken 2 S
Bankwerker 3 S
Bantingstraat 2 S
Barkelastraat 2 S
Barkelazwet 4, 5 A
Barkhoornweg 5 O
Baronielaan 2 S
Batenborg 2 S
Beatrixstraat 2 S
Beemsterlaan 2 S
Beetserwijk 4 M
Begoniastraat 2 Mk
Belgiëlaan 2 S
Beneluxlaan 2 S
Berberisstraat 2 Mk
Berkenstraat 4 A
Berkenstraat 2 S
Besselinglaan 4 O
Beststraat 2 S
Beukenhage 2 S
Beukenhof 2 Mk
Beukenstraat 4 A
Beukenweg 4 O
Beumeesweg 4, 5 A
Bevrijderslaan 2 S
Biesboschlaan 2 S
Blekslage 5 O
Blekslagebrugweg 5 O
Blokveenstraat 2 S
Boeg 2 S
Boelslaan 4 O
Boerendiep 2 S
Boerhaavestraat 2 S
Boerveenschemond 2 S
Bolsterstraat 2 S
Borgenweg 2 S
Bosboomlaan 2 Mk
Boslaan 4 O
Bovensteveenweg 5 M
Braamberg 5 M
Brabantselaan 2 S
Bredalaan 2 S
Breedenborg 2 S
Breitnerlaan 2 Mk
Bremweg 2 S
Brink 4 O
Brinkstraat 2 Mk
Brugkade 2 S
Brugstraat 2 S
Brummelkant 2 S
Buizerdhorst 2 S
Burg. Reijndersstraat 2 S
Burg. van Sevenhovenstr. 2 S
Cederhage 2 S
Ceresbrink 2 Mk
Ceresdiep 2 S
Ceresdorpsstraat 2 Mk
Cereskade 1 S
Ceressingel 2 Mk
Ceresstraat 1 S
Claweslaan 4 O
Clematisstraat 2 Mk
Condorhorst 2 S
Convenantstraat 2 S
Cornelis Dopperlaan 2 S
Cornelis Hovinglaan 2 S
Cypressenhage 2 S
Dagwerkstraat 2 S
Dalweg 5 S
De Brink 2 Mk
De Dreef 2 S
de Hörn 4 O
De Rail 2 S
De Renne 2 S
De Stobben 2 S
De Vloeivelden 5 S
De Wedde 2 S
De Weegbree 2 S
De Wilgen 2 S
De Wissel 2 S
Deelmanstraat 2 S
Delflandlaan 2 S
Den Boschlaan 2 S
Dennenhage 2 S
Dillelaan 4 O
Dintellaan 2 S
Dirk de Ruiterstraat 2 Mk
Dopheideweg 2 S
Dopperpassage 2 S
Dorpsstraat 4 O
Dr Kinglaan 2 S
Drentselaan 2 S
Drentsemonden 2 S
Driesporenweg 4 O
Drostenlaan 2 S
Drouwenerkade 2 S
Drouwenerstraat 2 S
Duinkerkenlaan 2 S
Duinweg 4 O
Duivenhof 2 S
Duurswoldselaan 2 S
Dwarssplitting 2 S
Dwarsstukkerweg 4 A
Dwarsstukkerweg 5 O
Edisonflat 2 S
Eemboerveldweg 5 O
Eerelmanlaan 2 Mk
Eerste Veldweg 5 S
Eikenhage 2 S
Eindhovenlaan 2 S
Eksterhof 2 S
Electronicaweg 3 S
Elzenhage 2 S
Emmastraat 2 S
Engelandlaan 2 S
Englumborg 2 S
Esdoornstraat 2 S
Esperantolaan 2 S
Essenhage 2 S
Esweg 5 A
Esweg 5 O
Europalaan 2 S
Europaplein 2 S
Eurostate 2 S
Fabrieksstraat 2 S
Fitishof 2 S
Fivelingolaan 2 S
Flemingstraat 2 S
Flevolaan 2 S
Floraheem 2 Mk
Floralaan 2 Mk
Fr Nanningstraat 2 Mk
Frankrijklaan 2 S
Frans Halslaan 2 Mk
Frieselaan 2 S
Fromaborg 2 S
G W Spitzenstraat 2 S
Gagelweg 2 S
Gandhiplein 2 S
Gangboord 2 S
Ganskampen 4 O
Gasselterdreef 2 S
Gasselterstraat 2 S
Gedempte Vleddermond 3 S
Gedempte Ceresdiep 2 Mk
Geert Teisstraat 2 S
Gelderselaan 2 S
Gentiaanstraat 2 S
Geraniumstraat 2 Mk
Gerrit van der Tuuklaan 2 S
Gietermond 5 S
Glasblazer 3 S
Glaslaan 2 S
Goereelaan 2 S
Gooilandlaan 2 S
Goordelaan 4 O
Gorzenhof 2 S
Goudenregenstraat 2 Mk
Grauwveen 2 S
Grevelingenlaan 2 S
Groene Zoom 2 S
Groenlinghof 2 S
Groningerlaan 2 S
Grootakkers 2 S
Grootstukkerweg 5 A
Grootzeil 2 S
Grote Borg 2 S
Grutto 2 S
H. J. Kniggekade 1 S
H. J. Kniggestraat 1 S
Hagedoornstraat 2 Mk
Hamriksweg 5 O
Handelskade 1 S
Handelsstraat 1 S
Hanne Bruininghstraat 2 Mk
Hardingstraat 4, 5 O
Harpelerweg 5 O
Havenkade 2 Mk
Havenplein 2 Mk
Havenstraat 4 O
Havikshorst 2 S
Hazebroeklaan 2 S
Hazelaarstraat 2 Mk
Heideweg 4, 5 O
Hemenweg 2 S
Henegouwenlaan 2 S
Heusdenlaan 2 S
Höchterweg 4, 5 A
Hoekselaan 2 S
Hofje 2 S
Hollandselaan 2 S
Holte 4, 5 O
Holterweg 4, 5 A
Hoofdkade 1 S
Hoofdstraat 1 S
Hoogveen 2 S
Horsten 2, 5 Mk
Horstenerplaatsen 4 M
Hortensiastraat 2 Mk
Hoveniersweg 2 S
Hubbelinglaan 4 O
Huisinghelaan 4 O
Hulststraat 2 Mk
Hunsingolaan 2 S
Iepenlaan 4 A
Iepenlaan 2 S
Industriestraat 3 S
Irenelaan 2 S
J. F. H. Meijerstraat 2 S
Jaagpad 2 S
Jabbingelaan 4 O
Jacob van Ruysdaellaan 2 Mk
Jan Kortstraat 2 Mk
Jan Steenlaan 2 Mk
Jan Tooroplaan 2 Mk
Jan Wiegerslaan 2 Mk
Jasmijnstraat 2 Mk
Jensemaborg 2 S
Jensinghelaan 4 O
Johannes Vermeerlaan 2 Mk
Jozef Israëlslaan 2 Mk
Julianastraat 2 S
Kajuit 2 S
Kamerijklaan 2 S
Kamperfoeliestraat 2 Mk
Kampweg 4, 5 O
Karskenslaan 4 O
Kastanjelaan 2 S
Kathodeweg 3 S
Keiweg 4, 5 A
Kempenlaan 2 S
Kempkebosweg 5 O
Kerklaan 2 Mk
Kerklaan 4 O
Kerklaan 2 S
Kerkstraat 2 Mk
Kiebergerweg 5 O
Kievit 2 S
Kijlsterweg 5 S
Klaverstraat 2 Mk
Kleine Borg 2 S
Klemslootstraat 2 S
Klimopstraat 2 Mk
Klinkenborg 2 S
Klompenmaker 3 S
Koeheersplaats 2 S
Koekoekshof 2 S
Kolkweg 4 M
Kompas 2 S
Koninginnelaan 2 S
Koperslager 3 S
Koperwiekhof 2 S
Kopstukken 5 M
Korenberg 2 S
Korenstraat 2 Mk
Kornoeljestraat 2 Mk
Korte Hemenweg 2 S
Kraaienhof 2 S
Krommewijk 2, 5 S
Kruisstraat 2, 5 Mk
Kwikstaarthof 2 S
Laakstraat 4 M
Landbouwstraat 2 Mk
Landlaan 4 O
Lange Raai 2 S
Lariksweg 2 S
Lavendelstraat 2 Mk
Leerlooier 3 S
Leeuwerikhof 2 S
Leliestraat 2 Mk
Lichtboei 2 S
Ligusterstraat 2 Mk
Lijnackerslaan 4 O
Lijsterbesstraat 2 Mk
Lijsterhof 2 S
Lilienthalplein 2 S
Lindenlaan 4 M
Lindenstraat 4 A
Lindenstraat 2 S
Loodzetter 3 S
Louis Pasteurstraat 2 S
Luringstraat 4, 5 O
Luxemburglaan 2 S
Lyceumlaan 2 S
Maarsbroek 2 S
Maarsdreef 2 S
Magnoliastraat 2 Mk
Manegelaan 2 S
Marconiflat 2 S
Margrietlaan 2 S
Marijkelaan 2 S
Marislaan 2 Mk
Markeweg 5 O
Marklaan 2 S
Marktkade 1 Mk
Marktstraat 1 Mk
Mast 2 S
Meerpaal 2 S
Meester Neuteboomstraat 2 S
Meidoornlaan 4 A
Meidoornstraat 2 S
Meierijlaan 2 S
Menistenplein 2 S
Mennersingelaan 4 O
Merelhof 2 S
Mesdaglaan 2 Mk
Metz-laantje 2 Mk
Mezenhof 2 S
Middenbolder 2 S
Moerasweg 4 M
Molenpaal 5 O
Molenstraat 4 M
Molenstraat 2 S
Molenwijk 2 S
Mondriaanlaan 2 Mk
Mussel-A-kanaal OZ 5 M
Mussel-A-kanaal OZ bij 5 M
Mussel-A-kanaal WZ 5 M
Musselmeeweg 5 O
Musselweg 4, 5 M
Mussenhof 2 S
Nachtegaalhof 2 S
Nanningeslaan 4 O
Navolaan 2 S
Nederlandlaan 2 S
Nieuwlandsweg 4 O
Nijverheidslaan 2, 3 Mk
Noorder Kanaalweg 5 Mk
Noorderdiep 5 S
Ohmweg 3 S
Oldambtsterlaan 2 S
Olde Hof 4 O
Olinglaan 4 O
Olmenhage 2 S
Omloop 2 S
Ondersteveenweg 5 M
Onstaborg 2 S
Oosterholtsweg 5 O
Oosterkade 1 S
Oostermoer 2 S
Oosterparallelstraat 2 S
Oosterstraat 1 S
Open Einde 3 Mk
Opsplitting 2 S
Oranjestraat 2 S
Ortolaanhof 2 S
Oude Markt 2 S
Oude Tangerweg 5 A
Overijsselselaan 2 S
Paardentram 5 S
Palmenhage 2 S
Parallelweg 5 A
Parkhof 2 Mk
Parklaan 2 Mk
Parksingel 2 S
Parnassialaan 2 S
Patrijspoort 2 S
Paulus Potterlaan 2 Mk
Peellaan 2 S
Pekelderstraat 5 S
Peppelhage 2 S
Peter Paul Rubenslaan 2 Mk
Philipsflat 2 S
Plantsoenstraat 2 S
Platanenhage 2 S
Poortmanswijk 4 A
Postkade 1 S
Poststraat 1 S
Praamweg 2 S
Prins Bernhardlaan 2 S
Prins Clausstraat 2 S
Prins Hendriklaan 2 S
Prins Mauritsstraat 2 S
Prinsessestraat 2 S
Prunuslaan 2 S
Purmerlaan 2 S
Putterhof 2 S
Raadhuisplein 2 S
Ravenhorst 2 S
Rembrandtlaan 2 Mk
Remise 2 S
Ribesstraat 2 Mk
Rietstraat 4 M
Rijnlandlaan 2 S
Rijssellaan 2 S
Ripperdaborg 2 S
Robert Kochstraat 2 S
Roekenhof 2 S
Roer 2 S
Roessinghlaan 4 O
Rondenborg 2 S
Roosendaallaan 2 S
Rozenstraat 2 Mk
Ruigeveldweg 2 S
Ruskeweg 2 S
Saaksumborg 2 S
Schapendrift 4 M
Schatsborg 2 S
Scheepswerfkade 1 S
Scheepswerfstraat 1 S
Scheperslaan 2 S
Schermerlaan 2 S
Schielandlaan 2 S
Scholtweg 4, 5 O
Schoolkade 1 Mk
Schoollaan 5 Mk
Schoolstraat 1 Mk
Schotlandlaan 2 S
Schoutenlaan 2 S
Semmelweislaan 2 S
Semskade 1 S
Semsstraat 1 S
Seringenstraat 2 Mk
Sijzenhof 2 S
Sikkenbergweg 5 O
Sluiskade 1 Mk
Sluisstraat 1 Mk
Sluisweg 4 O
Smeerling 5 O
Sneeuwbesstraat 2 Mk
Spant 2 S
Spanweg 5 O
Sparrenhage 2 S
Spechtenhof 2 S
Sperwerhorst 2 S
Spireastraat 2 Mk
Spoorsingel 2 Mk
Spoorstraat 2 S
Sportparklaan 2 S
Sportterreinstraat 2 S
Spreeuwenhof 2 S
Spycklaan 4 O
Stadshart 2 S
Stadswijk 5 Mk
Starkenborg 2 S
Stationslaan 2 S
Stationsstraat 2 Mk
Stationsstraat 2 S
Steenbreekstraat 2 S
Steenhouwer 3 S
Stelmaker 3 S
Stobkeweg 5 O
Streekje 4, 5 A
Streekweg 5 O
Stuurboord 2 S
Stuurhut 2 S
't Achterom 3 S
't Fledderbos 2 S
't Moorke 2 S
Tackenborg 2 S
Tammingaborg 2 S
Tangerdwarsweg 5 A
Tangerveldweg 4, 5 A
Tangerweg 4, 5 A
Technicumstraat 2 Mk
Telefoonweg 5 Mk
Tellingerweg 4 O
Ter Maars 5 O
Ter Wuppingerweg 4, 5 O
Texellaan 2 S
Thedinglaan 4 O
Tigge 4 O
Tilburglaan 2 S
Transistorweg 3 S
Trekpad 2 S
Tros 2 S
Tuinlaan 4 O
Tussenkamp 2 S
Tweede Boerendiep 5 Mk
Uilenhof 2 S
Ulmuslaan 2 S
Unikenkade 1 S
Unikenstraat 1 S
Utrechtselaan 2 S
Valkenhorst 2 S
Valreep 2 S
van Dongenlaan 2 Mk
Veenhofsweg 4, 5 A
Veenhuizen 5 O
Veenhuizerweg 5 O
Veenmosweg 2 S
Veenstraat 3 S
Veldhorst 2 S
Veldwachterslaan 5 M
Velingspad 2 S
Verbindingsweg 5 Mk
Verlengde Brugkade 2 S
Verlengde Luringstraat 5 O
Vincent van Goghlaan 2 Mk
Vinkenhof 2 S
Vlaanderenlaan 2 S
Vledderhuizen 5 O
Vledderkanaal 5 V
Vledderweg 5 V
Vlierstraat 2 Mk
Voltaweg 3 S
Vooraf 3 S
Voorstekamp 2 S
Vosseberg 5 O
Vrijdomsstreekje 2 S
Vuurdoornstraat 2 Mk
Waardenlaan 2 S
Wagenmaker 3 S
Wagenspoor 4 M
Waterlandlaan 2 S
Watermunt 2 S
Waterschapsweg 5 V
Weegbrug 2 S
Weerdinghelaan 4 O
Weigeliastraat 2 Mk
Werfstraat 2 S
Werkmanlaan 2 Mk
Wessinghuizerweg 4, 5 O
Westerparallelstraat 2 S
Westerwoldselaan 2 S
Wiekedreef 2 S
Wielewaalhof 2 S
Wieringenlaan 2 S
Wilgenhage 2 S
Wilhelminalaan 2 S
Willem Alexanderstraat 2 S
Willem Diemerplein 2 Mk
Willem Diemerstraat 2 Mk
Willem Drenthlaan 2 S
Wiltingelaan 4 O
Wolverlei 2 S
Wulp 2 S
Zaadstukken 5 M
Zandtangerweg 4, 5 M
Zijdstukkerweg 5 S
Zonnedauwlaan 2 S
Zuider Kanaalweg 5 Mk
Zuider Kanaalweg 5 S
Zwaard 2 S
Zwaluwhof 2 S

Overige bijlagen

Sla de sitenavigatie over en ga naar de hoofdinhoud »
Terug naar boven Terug naar boven